De richtschema’s, en daarna? De toekomst van de stedelijke ontwikkeling in Brussel in vragen
Notes de la rédaction
Dit is het persbericht over het artikel van Florence Delmotte, Michel Hubert et François Tulkens gepubliceerd op 12 oktober 2009. Lees het artikle.
Het beheer van de stedenbouw heeft in Brussel, net als in andere steden, “stedelijke strijd” of zelfs “slagen” gekend (zie de “Slag om de Marollen”). Wij hebben onze vorige bijdrage gewijd aan de terugblik op de geschiedenis van de Noordwijk, slachtoffer van de sombere geschiedenis van het Manhattanplan (Brussels Studies nr. 29).
Deze conflicten hebben niet alleen pijnlijke herinneringen in het geheugen van de Brusselaars achtergelaten, maar ook een diepgaande verandering in de manier waarop de stad beheerd wordt, teweeggebracht. Een recent instrument – het richtschema – is erfgenaam van deze bewogen geschiedenis. Het is voorgesteld door de politieke verantwoordelijken als voortvloeiend uit de wil om “de fouten uit het verleden niet te herhalen”. Uitgedacht binnen het kader van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan (GewOP) van 2002, is het richtschema voorgesteld als een bevoorrecht middel voor de ontwikkeling van veertien “hefboomgebieden”, die door hetzelfde Plan werden vastgelegd. Het werd voor de eerste maal toegepast tijdens de vorige gewestelijke legislatuur. Brussels Studies wijdt haar 30ste nummer aan een eerste evaluatie van dit instrument.
Thurn en Taxis, Weststation, Rijksadministratief Centrum, enzovoort, de “hefboomgebieden” zijn cruciale ruimten voor ontwikkeling van de stad waar radicale stedenbouwkundige heroriëntaties noodzakelijk zijn. Om dat te bereiken moeten de private en publieke actoren, maar ook de bewoners van de gebieden in kwestie verenigd worden en ertoe gebracht worden samen een toekomst voor deze ruimten te definiëren door middel van een “richtschema”. Dat laatste is dus drager van een drievoudige belofte: betere coördinatie van de publieke actie, efficiënte publiek-private samenwerking (PPS) en echte, democratische participatie.
Op basis van een empirische studie van verschillende cases, waaronder het emblematische Rijksadministratief Centrum, en van een namiddag van uitwisseling en reflectie rond de resultaten van het instrument, onderzoeken Florence Delmotte, Michel Hubert en François Tulkens (Facultés universitaires Saint-Louis) het nieuwe instrument ‘richtschema’; waarbij blijkt dat men de dag niet moet prijzen voor het avond is. De administratieve complexiteit, de divergentie tussen de belangen van de publieke en van de private sector en de moeilijkheid om echte bewonersparticipatie in te richten, doen de efficiëntie van een middel dat geen enkele dwingende waarde heeft, geweld aan.
De auteurs blijven natuurlijk niet bij deze vaststelling van een (gedeeltelijke) mislukking. Ze pleiten helemaal niet voor het verlaten van het bestudeerde instrument, maar schetsen integendeel pistes die de verbetering ervan zouden moeten mogelijk maken. Als het middel “richtschema” in de juiste richting gaat, roept het inderdaad op tot andere vooruitgang naar een beheer van de stedenbouw dat democratischer, efficiënter, respectvol voor het algemeen belang en drager van toekomst voor de stad is. Een manier om de megalomaniakale projecten, die Brussel misvormen en er het sociale weefsel kwetsen, resoluut de rug toe te keren.
Om dit artikel te citeren
Delmotte, F., Hubert, M. en Tulkens, F., “De richtschema’s, en daarna? De toekomst van de stedelijke ontwikkeling in Brussel in vragen”, Brussels Studies [Online], Algemene collectie, nr. 30, 12 oktober 2009. URL: https://journals.openedition.org/brussels/703
Contact
Tatiana Debroux, hoofdredacteur:
tdebroux[at]brusselsstudies.be



