Navigation – Plan du site

AccueilPublicationsCollection générale2026Zorgzame buurt in Brussel. Verbin...

2026
218

Zorgzame buurt in Brussel. Verbindingen opbouwen tussen buurtgebruikers

Quartier d’entraide à Bruxelles. Construire des liens entre utilisateurs
Caring neighbourhood in Brussels. Creating connections among users
Octavia Kint, Lieselot Degraeve, An-Sofie Smetcoren et Liesbeth De Donder
Traduction(s) :
Quartier d’entraide à Bruxelles. Construire des liens entre utilisateurs [fr]
Caring neighbourhood in Brussels. Creating connections among users  [en]

Résumés

Dans le cadre des politiques bruxelloises et flamandes, le quartier d’entraide constitue un modèle émergent d’approche intégrée et de proximité des soins et du bien-être. Dans la pratique, les initiatives regroupées sous le générique de « quartiers d’entraide » sont très diverses et généralement axées sur la création de liens entre voisins ou avec les services de soins professionnels actifs dans le quartier. Le projet MaN’Aige (Innoviris Co-Create 2019-2022), d’une durée de trois ans, entendait créer un quartier d’entraide dans deux quartiers bruxellois, en examinant comment les liens avec les utilisateurs d’un quartier (entreprises, écoles, théâtres, navetteurs, etc.) y contribuent. Dans les résultats, nous présentons les trois pierres angulaires d’un quartier d’entraide : 1) une vision élargie des soins sous l’angle de la bienveillance ; 2) l’espace public partagé comme levier de lien et de soins ; 3) l’attention à accorder aux structures de pouvoir au sein du projet et du quartier. La discussion aborde les pièges et les atouts des quartiers d’entraide. Ces quartiers envisagent les soins au sens large, à travers le lien, et plaident en faveur d’une approche relationnelle et spatiale, aux antipodes de l’exclusion sociale et de l’injustice.

Haut de page

Notes de l’auteur

Dit werk is gebaseerd op het MaN’Aige project, gefinancierd door het Innoviris Co-Create programma.

Texte intégral

1. Inleiding

1Een zorgzame buurt beleid streeft naar een samenhangende en buurtgerichte aanpak van wonen, zorg en welzijn opdat mensen in hun vertrouwde omgeving of buurt kunnen blijven wonen, ongeacht leeftijd of zorgnoden. Hoewel een wijkgerichte opvatting van zorg reeds langer bestaat, is de term “zorgzame buurten” sinds 2013 in opmars in Brussel en Vlaanderen. Zorgzame buurt-projecten zetten vaak in op bewoners onderling verbinden (i.e. een “warme buurt” creëren), of professionele diensten verbinden met bewoners met bepaalde zorgnoden [De Donder et al., 2021]. Het project MaN’Aige (oktober 2019 – oktober 2022), gefinancierd door het Innoviris Co-Create-programma, onderzocht hoe verbindingen met buurtgebruikers kunnen bijdragen aan een zorgzame buurt in twee Brusselse wijken. Hoewel zorgzame buurten inzetten op sleutelfiguren die werken in de buurt, zoals postbodes, kruidenierszaken of pedicures [Duppen et al., 2019], worden andere spelers – bedrijven, scholen, theaters, musea, maar ook studenten of pendelaars – zelden aangesproken. In een diverse grootstedelijke context zijn deze buurtgebruikers echter sterk aanwezig met een potentieel aan ruimte, middelen en diensten om concrete zorgnoden en -vragen in buurten te beantwoorden.

2MaN’Aige ontstond op initiatief van lokaal dienstencentrum Het Anker, een ontmoetingsplaats voor oudere bewoners in de Begijnhofwijk sinds de jaren ‘80. Het hervormde woonzorgbeleid van de Vlaamse regering in 2008 verdeelde het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in woonzorgzones waarbij elk lokaal dienstencentrum verantwoordelijk werd voor een bepaald geografisch gebied [Kenniscentrum Woonzorg Brussel, 2014]. Twee wijken in de Brusselse Vijfhoek, Martelaars en Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw, behoorden voortaan tot de woonzorgzone van Het Anker, maar het lokaal dienstencentrum bereikte er amper bewoners. Op basis van hun ervaring met bewoners in de omliggende wijk, wenste Het Anker ook in deze twee wijken een zorgzame buurt uit te bouwen, rekening houdend met het specifieke karakter van deze wijken: een lage bevolkingsdichtheid en een grote aanwezigheid van allerhande buurtgebruikers waardoor het klassieke vertrekpunt vanuit buurtbewoners minder vanzelfsprekend is. Ze zetten het MaN’Aige project op in partnerschap met hogeschool Odisee, Maison Médicale Enseignement, Kenniscentrum Welzijn, Wonen, Zorg en de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Voorliggend artikel is een reflectie op drie jaar co-creatief onderzoek in deze twee buurten.

1.1. Vermaatschappelijking van de zorg

3De beleidsontwikkeling rond zorgzame buurten past binnen een breder beleidskader van vermaatschappelijking van de zorg. Deze term verwijst initieel naar een beweging in de geestelijke gezondheidszorg waarbij meer aandacht werd gevestigd op de maatschappelijke en sociale context, die ook in andere sectoren zoals ouderenzorg en jeugdzorg weerklank vond. Sinds de opkomst van het begrip in de jaren 1980 zien we twee bewegingen: een “de-institutionalisering” van professionele zorg en het uitbreiden van informele zorg [De Donder et al., 2017; 2021]. In de eerste beweging werd residentiële zorg afgebouwd en werd meer ingezet op professionele zorg binnen de samenleving, zoals thuiszorg en gezinszorg. In plaats van zorg te organiseren binnen de muren van klassieke zorginstellingen zoals woonzorgcentra, psychiatrische instellingen of voorzieningen voor personen met een handicap, werd zorg buiten de instelling gebracht. De zorg sloot zo beter aan op de leefsituatie van de persoon met zorgbehoeften. Een belangrijke voorwaarde was dat thuiszorgdiensten werden uitgebouwd. Sinds de jaren 2000 focust het beleid niet louter op zorg “in” de samenleving, maar ook op zorg “door” de samenleving. Beleidsteksten en decreten focusten meer en meer op informele zorgverleners, o.a. vrijwilligers en mantelzorgers. Ook sociale netwerken en buurtwerkingen kregen een prominentere plek in het zorgbeleid. Hoewel meer werd ingezet op een buurtgerichte en geïntegreerde aanpak van zorg, ging deze beweging ook gepaard met bezuinigingen in de professionele zorg en het verschuiven van zorgverantwoordelijkheden op informele zorgverleners [De Donder et al., 2017; De Donder et al., 2022].

4Ook internationaal bestaan verschillende ontwikkelingen onder de term “community turn” in zorgbeleid: “Healthy Communities”, “Age-Friendly Cities & Communities”, “Compassionate Communities”, “Healthy Cities” van de Wereld Gezondheidsorganisatie, “Integrated Community Care”… Hoewel deze bewegingen sterk inzetten op buurtniveau en lokale netwerken, mogen ze niet gelezen worden als een alternatief voor structurele garanties op zorg en ondersteuning [De Donder et al., 2022]. Het erkennen van netwerken en mantelzorg, vereist ook een ondersteuning én investering vanuit de overheid [De Donder et al., 2021]. Net omdat buurten steeds vaker als “zorgdragers” worden aangesproken is het noodzakelijk om zicht te krijgen hoe buurtdynamieken werken en wie daarin (on)zichtbaar blijft.

5Hoewel zorgzame buurten traditioneel vertrekken vanuit bewoners en hun netwerken, blijven andere aanwezige actoren in de buurt vaak onderbelicht. Nochtans zijn buurtgebruikers zoals werknemers, studenten, bezoekers en lokale organisaties in grootstedelijke contexten sterk aanwezig en beschikken zij over een potentieel aan ruimte en interacties die kunnen bijdragen aan het beantwoorden van lokale zorgnoden. Tegen deze achtergrond onderzoeken we in dit artikel wat, of en hoe buurtgebruikers kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van zorgzame buurten.

1.2. Buurtgerichte aanpak van zorg: het idee van zorgzame buurten in Vlaanderen en Brussel

6Het afgelopen decennium werd in het Vlaamse zorg- en welzijnsbeleid steeds meer ingezet op een buurtgerichte en geïntegreerde aanpak van zorg. In 2012 lanceerde de Vlaamse Regering een oproep rond innovatie in ouderenzorg. Het proeftuinproject “Actief Zorgzame Buurten” (2013-2016) in Brussel en Antwerpen legde de focus op het ontwikkelen van buurtgerichte informele zorg, woningrenovatie en professioneel casemanagement voor thuiswonende ouderen in de Brabantwijk in Schaarbeek en de Jachtwijk in Etterbeek [Smetcoren et al., 2018; De Donder et al., 2017]. In 2015 stelden verschillende Vlaamse en Brusselse partners in de zorg- en welzijnssector een visienota op [Bekaert et al., 2016] en werd het idee verder naar voren geschoven in het beleid van toenmalig minister Jo Vandeurzen [2018]. Het concept werd verder uitgewerkt en wordt in huidig beleid als volgt gedefinieerd:

In een Zorgzame Buurt wonen mensen comfortabel in hun woning of vertrouwde buurt. Het is een buurt waar jong en oud elkaar kennen en helpen. In een Zorgzame Buurt staat levenskwaliteit centraal, voorzieningen en diensten zijn er voor iedereen toegankelijk. Iedereen voelt er zich goed en wordt geholpen, ongeacht de ondersteuningsbehoeften [Departement Zorg Vlaamse Overheid, 2023].

  • 1 Vijf geselecteerde projecten zijn: Connect Karreveld, Zorg-conciergerie-des Soins, Be Coming Home, (...)

7Het idee van zorgzame buurten vond weerklank bij verschillende lokale besturen en organisaties en in Vlaanderen en Brussel ontstonden steeds meer experimenten. Zo was er het project “Minder mazen, meer net” van SAAMO Limburg en West-Vlaanderen [Bloemen et al., 2022] en de ondersteuning van 35 projecten via het fonds Dr. Daniël De Coninck in Vlaanderen en Brussel [De Donder et al., 2021]. In 2022 startten 132 “Zorgzame Buurten” met financiële steun van de Vlaamse overheid voor een periode van twee jaar, waaronder vijf in Brussel1 [VGC, 2023]. Los van deze top-down beleidsontwikkelingen bestaat dezelfde informele zorgbeweging van onderuit, zowel in burgerinitiatieven [Plovie, 2018] als informele spelers die in de marge van het formele zorg- en welzijnslandschap actief zijn [Schrooten et al., 2019].

1.3. Zorgzame buurten in een grootstedelijke context

8De twee wijken Martelaars en Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw zijn centraal gelegen in de Brusselse Vijfhoek, maar delen enkele unieke eigenschappen. Hoewel de twee wijken onderling verschillen, zowel historisch als in de huidige beleving van bewoners en buurtgebruikers, vertrok MaN’Aige van drie gedeelde vaststellingen voor beide wijken. Ten eerste kennen beide wijken een groot onevenwicht tussen bewoners en buurtgebruikers die niet in de wijk wonen maar er wel gebruik van maken, zoals winkels, bedrijven, organisaties of scholen. Vergeleken met de rest van de Vijfhoek hebben de twee wijken een lage bevolkingsdichtheid en een bijzonder hoge kantoordichtheid, ongeveer gelijk met de Noordwijk [Bisa.Brussels, 2021 ; 2018]. Hoewel het aandeel nieuwe bewoners de laatste jaren toeneemt [Bisa.Brussels, 2019], blijft het onevenwicht groot. Ter illustratie, de twee buurten tellen elk ongeveer 2 600 bewoners [Bisa.Brussels, 2019], terwijl in één van de bedrijven in de Martelaarswijk zo’n 2 800 mensen werken. Ten tweede zijn er weinig nabije diensten en voorzieningen voor bewoners in de wijk. Horecazaken en winkels zijn voornamelijk gericht op gebruikers, zoals lunchzaken en supermarkten met een aanbod voor pendelaars. Door het lagere bevolkingsaantal tegenover de rest van de Vijfhoek komen deze wijken bovendien minder in beeld op vlak van diensten en voorzieningen en in politiek beleid. Ten derde worden de twee wijken omringd en doorkruist door harde grenzen; grote boulevards zoals de Pachecolaan, de Koningsstraat en de Kleine Ring. Bewoners uit de Martelaarswijk noemen hun wijk bijvoorbeeld enerzijds “een betonnen landschap” dat weinig doorleefd is, maar beschrijven het anderzijds ook als een rustig en beschermd eiland in het drukke stadscentrum.

1.4. Verbindingen als uitgangspunt van zorgzame buurten en onderzoeksvragen

9MaN’Aige schuift de idee naar voren dat men eerst moet bouwen aan verbindingen om zorgzaamheid te bekomen. Verbindingen kunnen divers zijn en worden op verschillende manieren getheoretiseerd. Socioloog Granovetter [1973] benoemt bijvoorbeeld het onderscheid tussen sterke en zwakke banden die heel verschillende functies vervullen. Daar waar sterke banden bestaande groepen kunnen verstevigen, zijn zwakke banden minder hecht en diepgaand maar belangrijk om een brug te slaan tussen diverse individuen en netwerken. Antropologe en sociaal pedagoge Soenen [2006] bouwt verder op Granovetters theorie over het belang van zwakke banden voor sociale cohesie in Westerse samenlevingen. Naast sterke en zwakke banden onderscheidt zij een derde type relaties: vluchtige banden. Soenen [2006] noemt dit “de wereld van het kleine ontmoeten”, zoals mensen die een praatje maken aan de kassa van de winkel of een blik uitwisselen in het openbaar vervoer. Deze kortstondige relaties kunnen een gevoel van belonging creëren in het moment, een zogenaamde “moment of community”, en zijn van groot belang in een grootstedelijke diverse context [Soenen, 2003; 2006].

10In het verhaal van zorgzame buurten wordt de waarde van sociale netwerken voor zorg en welzijn vaak aangehaald, en meer bepaald de rol van bonding en bridging in het sociale weefsel. Hoewel de concepten vooral bekend werden door Putnam's werk (e.g. [2000]), waren Gittell en Vidal [1998] één van de eerste auteurs die de termen bonding en bridging social capital introduceerden. Bonding social capital verwijst naar de vertrouwensvolle en duurzame sociale relaties binnen een sociale groep of gemeenschap. Deze vorm van sociaal kapitaal is belangrijk voor het sociaal welbevinden, sociale steun en de inbedding van individuen en groepen. Bridging social capital verwijst naar relaties van respect en wederkerigheid tussen groepen of individuen die zich als verschillend zien in socio-demografische termen (bijv. op vlak van leeftijd of socio-economische achtergrond) of op basis van sociale of culturele identiteit. Overbruggende relaties hebben het potentieel om verschillende groepen te verbinden. Zorgzame buurten kunnen inzetten op beide, maar Wegleitner en Schuchter [2018] wijzen op mogelijk negatieve effecten van bonding social capital bij de ontwikkeling van zorgzame buurten:

(…) zoals vormen van sociale uitsluiting of benadeling die het gevolg zijn van al te hechte gemeenschappen waarin schijnbare samenhang heerst. De uitdaging en kunst om een goede buur te zijn, schuilt onder meer in het versterken van het vermogen om bruggen te slaan in de gemeenschap, wat in het bijzonder inhoudt dat men zich openstelt voor de onbekende, de vreemdeling, die in het huis of de straat naast je woont [eigen vertaling, Wegleitner en Schuchter, 2018 : 95-96].

11Bouwen aan zorgzame buurten gebeurt altijd in een diverse context; buurten worden doorkruist door verschillende individuen, sociale en culturele contexten. Daarom zette MaN’Aige voor de ontwikkeling van zorgzame buurten initieel in op bridging van verschillende individuen, buurtbewoners en buurtgebruikers, (zorg)diensten, etc.

12Zorgzame buurten gaan echter niet enkel over sociale verbindingen, maar ook over de verbinding met omgeving en ruimte. Zorg is een socio-materiële praktijk die in verbinding staat met en gevormd wordt door mensen, niet-menselijke wezens, omgevingen, lichamen in de stad [Power en Williams, 2019]. Mensen maken actief deel uit van een web van sociale relaties en zijn onderling afhankelijk, maar staan ook in relatie tot hun omgeving [Gabauer et al., 2022]. Onderzoek haalt het belang van publieke ruimte aan voor welzijn en gezondheid in de buurt, zowel voor individuen als gemeenschappen. Groene ruimte, speeltuinen, toegankelijke voetpaden en straten hebben niet alleen een directe impact op gezondheid, maar creëren ook de mogelijkheid tot ontmoeting en sociale banden. Hoewel publieke ruimte een belangrijke hefboom voor ontmoeting is, is het niet vanzelfsprekend dat ontmoeting automatisch leidt tot sociale cohesie. Die relatie hangt namelijk ook samen met hoe de ruimte ontworpen, beheerd, gebruikt en toegeëigend wordt [Aelbrecht en Stevens, 2019].

13In zorgzame buurt projecten wordt publieke ruimte echter vaak als een vrije ontmoetingsplaats bekeken. Verbindingen komen tot stand via activiteiten, personen en plekken waarbij die plekken ook tijdelijk of mobiel kunnen zijn om mensen laagdrempelig samen te brengen en ontmoeting mogelijk te maken [De Donder et al., 2024]. Deze visie op zorg overstijgt een individuele één-op-één relatie en bekijkt zorg vanuit een sociale en ruimtelijke verbinding. Inzetten op publieke ruimte, bijvoorbeeld via gemeenschappelijke moestuinen in de wijk, kan zo bijdragen aan gemeenschapsvorming en sociaal contact en tegelijk zorgnoden op een laagdrempelige manier zichtbaar maken en beantwoorden.

14Het onderzoek beoogde dan ook te werken rond 2 onderzoeksvragen:

  1. Welke rol kunnen buurtgebruikers spelen in het bouwen aan een zorgzame buurt?

  2. Hoe creëer je verbindingen tussen buurtgebruikers en de buurt en haar buurtbewoners?

2. Onze aanpak: een co-creatief onderzoek

15MaN’Aige werd gefinancierd door het Co-Create-programma van het fonds Innoviris, met als doel via innovatief onderzoek sociale en ecologische transities te ondersteunen die het leven en de veerkracht in Brussel verbeteren2. In de projecten van het Co-Create-programma ligt de taak van onderzoek niet enkel bij academische instellingen of expertisecentra, maar bij verschillende actoren uit de praktijk die samenwerken als co-onderzoekers. Dat was ook bij MaN’Aige de doelstelling. Maandelijks kwam een comité van co-onderzoekers samen. De groep bestond uit buurt- en sociaal werkers van lokaal dienstencentrum Het Anker, medewerkers van het Departement Verpleegkunde aan de hogeschool Odisee, zorgprofessionals van Maison Médicale Enseignement, onderzoekers van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) en stafmedewerkers van Kenniscentrum Welzijn, Wonen, Zorg. Daarnaast engageerden heel wat buurtgebruikers en bewoners uit de wijken zich om vorm te geven aan het onderzoek en deel te nemen aan de ontmoetingen en workshops uit het project (ondanks een selectiebias, waar we later op terugkomen).

16Er bestaan heel wat theoretische interpretaties van co-creatief onderzoek. We volgden initieel het model van Bonney et al. [2009]. Co-creatief onderzoek gaat verder dan louter bijdragen of samenwerken in onderzoek: deelnemers zijn betrokken in nagenoeg alle fases van het onderzoeksproces, van het opstellen van de onderzoeksvraag tot het experimenteren, het formuleren en verspreiden van conclusies en het stellen van nieuwe vragen. In de praktijk van MaN’Aige bracht co-creatief onderzoek echter heel wat uitdagingen met zich mee, zowel tussen project partners onderling als in de relatie met buurtactoren en financiers. Na zes maanden in het project brak de corona-epidemie uit, wat sociale verbindingen erg bemoeilijkte. Hoewel oudere en zorgbehoevende personen in de buurt de initiële doelgroep waren, kregen de initiatieven gaandeweg een bredere focus op publieke en groene ruimte. De obstakels en uitdagingen van dit proces worden verder besproken in de resultaten-sectie en uitgebreider geanalyseerd in het wetenschappelijk artikel “Lessons Learned from a Co-creative Research Project on Caring Neighbourhoods in Brussels: An Ethical Reflection on the Research Journey” [Kint en De Donder, 2026].

17Vanuit ons perspectief als academisch onderzoekers was co-creatief onderzoek een constante evenwichtsoefening tussen concrete acties opzetten en een reflexieve houding aannemen, waarbij we creatieve onderzoeksmethoden en -technieken verkenden.

18We onderscheidden vijf grote fases in het onderzoeksproces die niet chronologisch verliepen, maar cyclisch en overlappend waren: 1) buurtanalyse om de wijken te leren kennen aan de hand van wandelingen, enquêtes en workshops, 2) ontwerp van het onderzoek en experimenten, 3) experimenteren in zes thematische living labs met elk een andere focus (zie Tabel 1) 4) reflecteren aan de hand van collectieve discussies en creatieve methodes, 5) co-analyse en valorisatie: jaarlijkse onderzoeksrapporten, give-back sessies en co-analyse van al het verzameld materiaal in groep. Deze analyses voor het bouwen aan een zorgzame buurt met buurtgebruikers werden verwerkt in een video3 en een cahier4 gepubliceerd door Kenniscentrum Welzijn, Wonen, Zorg [Degraeve et al., 2022] en vormen ook de basis voor voorliggend artikel.

Tabel 1. Living labs in MaN’Aige

Living lab

Doel

Type buurtgebruikers

Toegankelijkheid

De fysieke, sociale en emotionele toegankelijkheid van de wijk en haar voorzieningen analyseren en in kaart brengen

Lokale winkels en restaurants

Moestuin

Een parcours van moestuinbakken in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuwwijk

Lokale wijkorganisaties

Groene Ruimte

Een network van bewoners en culturele spelers om de Martelaarswijk te vergroenen

Culturele organisaties (theaters, musea,..), publieke instellingen en scholen

Res’O

Een netwerk bouwen rond de gedeelde ruimte in de Martelaarswijk, met een focus op aangename en onaangename plekken in de wijk

Grote organisaties, bedrijven, publieke instellingen

Ontmoetingsruimte

Een vaste of mobiele ontmoetingsruimte in de wijk

Verschillende types gebruikers: passanten, pendelaars, lokale organisaties en bedrijven (bijv. hotels)

Zorgzaam onderwijs

De verbinding van een hogeschool en studenten met de omliggende buurt

Educatieve instelling en studenten

19De resultaten die we in het volgend hoofdstuk voorstellen, vertrekken vanuit de ervaringen van co-onderzoekers en de collectieve analyse van het driejarig MaN’Aige traject. Een aantal inzichten werden reeds aan het einde van het project gebundeld in een cahier. Na afloop van de projectperiode kreeg de doctoraatsonderzoeker nog één bijkomend jaar om de academische valorisatie uit te werken, waarbij resultaten verder werden verdiept en expliciet verbonden met theorie en academische literatuur. In die fase werden de conclusies aangevuld en conceptueel aangescherpt door de academische onderzoekers. Het thema machtsverhoudingen en structurele ongelijkheid werd bijvoorbeeld pas nadien expliciet toegevoegd. Hoewel aanwezig tijdens het project in gesprekken en analyses, werd het toen nog niet als thema benoemd en pas in de doctoraatsanalyse als overkoepelende rode draad uitgewerkt.

3. Resultaten

20De resultaten van drie jaar co-creatief onderzoek gaven ons meer inzicht in de maatschappelijk rol die buurtgebruikers konden spelen in het bouwen aan een zorgzame buurt. Drie belangrijke bouwstenen kwamen hierbij aan bod: 1) een brede kijk op zorg als zorgzaamheid, 2) de gedeelde, publieke ruimte als hefboom voor verbinding en zorg, 3) oog hebben voor machtsverhoudingen op project- en buurtniveau.

3.1. Een brede kijk op zorg als zorgzaamheid

21Ten eerste toonde het perspectief van buurtgebruikers in een zorgzame buurt de noodzaak aan een bredere visie op zorg dan de klassieke invulling. Zorg wordt vaak beschouwd als een éénzijdige individuele relatie tussen zorgverlener en -ontvanger rond een bepaalde zorgnood [Fine en Glendinning, 2005]. In zorgzame buurten projecten wordt vaak ingezet op wederkerige, sterke relaties en het matchen van (zorg)vraag met zorgaanbod. Ook in MaN’Aige was het initieel de bedoeling zorgrelaties op te zetten tussen buurtgebruikers (“zorggevers”) en oudere, eenzame of geïsoleerde bewoners (“zorgvragers”). Zo startten we een buddywerking tussen studenten verpleegkunde en oudere buurtbewoners van het wijkgezondheidscentrum. Het idee was om contact te leggen voor een wekelijkse babbel of activiteit. In de praktijk botsten we echter op heel wat obstakels. Zo strookten de eisen van de opleiding op vlak van tijdsindeling, regelgeving en (tijdelijke) beschikbaarheid van studenten niet met de noden en vragen van bewoners. Daarnaast was voor oudere bewoners de drempel hoog om een onbekende binnen te laten in huis en wilden ze zelf iets aanbieden aan hun buddy in plaats van louter hulp te ontvangen. Door deze ervaring namen we een paar stappen terug en herbekeken we onze aanpak. Eerder dan wederkerige relaties opbouwen rond het verlenen en aanbieden van zorg tussen buurtgebruikers en bewoners, moesten we eerst werken aan een bewustzijn van de buurt en een open houding naar de ander toe. Deze bredere visie op zorg noemden we zorgzaamheid. Hoewel we het belang erkenden van sterke individuele zorgrelaties die beantwoordden aan concrete zorgnoden in buurten, legt het begrip zorgzaamheid de nadruk op een bewustzijn van de andere en de omgeving als eerste stap naar duurzame verbinding. Daarbij gaan we nog een stap verder dan zwakke [Granovetter, 1973] of vluchtige banden [Soenen, 2006]. Buurtgebruikers betrekken in een zorgzame buurt begon bij een bewustzijn creëren van “de buurt” en de ander:

Zorgzaamheid betekent attent zijn en dat kan in veel betekenissen van het woord (…) het kan gaan om een zorgzame blik voor een persoon, de omgeving, elkaars veiligheid,…(…) Er zijn veel manieren om te zorgen of attent te zijn voor iemand of iets dat leeft. Het kan zelfs zorgzaam zijn om niet in contact te komen met iets of iemand anders (Co-onderzoekster, Focusgroep).

22Het begrip zorgzaamheid duidt erop dat organisaties die aanwezig of actief zijn in de buurt een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben voor hun leefomgeving. Zo werkte een verpleegster bij het wijkgezondheidscentrum, mee aan een moestuinproject met het oog op de leefbaarheid van de hele wijk en niet enkel het welzijn van haar patiënten. De nieuwe blik gericht op de buurt ontstond ook bij andere gebruikers buiten de sociale of zorgsector. Zo waren enkele theaters in de buurt bijvoorbeeld betrokken bij vergroeningsinitiatieven in de wijk:

Op zich heeft vergroening niets te maken met de primaire taak van een theater (…) maar in plaats van een bril “dit zijn mijn klanten”, hebben ze nu een bril, “dit is mijn buurt” (…). We gaan proberen betrokken te raken bij de buurt en luisteren naar wat belangrijk is voor de bewoners. En één van de dingen die naar voren kwam, is het belang van een groenere buurt (Co-onderzoekster, Focusgroep).

23Meer dan een focus op “zorg”, ligt de basis van een zorgzame buurt daarom in het aandachtig zijn voor en luisteren naar de diverse noden van de buurt en haar bewoners. Dit vormt op zijn beurt de basis voor het uitbouwen van lokale netwerken, op kleine schaal.

3.2. De gedeelde, publieke ruimte als hefboom voor verbinding en zorg

24Hoewel we initieel hoge verwachtingen hadden over de innovatieve rol die buurtgebruikers konden spelen in een zorgzame buurt, bleven één-op-één-zorginitiatieven vaak van korte duur, afhankelijk van de goodwill van enkele individuen en niet structureel ingebed. De betrokkenheid van buurtgebruikers werd beperkt door regelgeving op vlak van veiligheid en toegang, veranderingen in personeel, prioriteiten, tijd en financiële middelen. Daarbovenop garandeerde het opzetten van initiatieven nog niet dat ze toegankelijk of bruikbaar waren voor de bewoners. Zeker indien er geen bestaande antenne-organisatie in de buurt aanwezig was, is er veel voorafgaand werk nodig voordat je daadwerkelijk iets hebt waarop zorgzaamheid kan gebaseerd worden(co-onderzoeker, focusgroep). De toegankelijkheid en leefbaarheid van de (semi-) publieke ruimte was echter een belangrijke hefboom voor verbinding, zeker in de COVID-periode. Concrete, gedeelde noden maakten het belang van samenwerkingen tussen bewoners en buurtgebruikers duidelijk. In MaN’Aige kwam vooral het gebrek aan leefbare en kwaliteitsvolle gedeelde, publieke ruimte sterk naar boven: de negatieve impact van grootschalige bouwprojecten op bewoners, het gebrek aan groene ruimte, speelruimte voor kinderen of zitplaatsen voor studenten tijdens de middagpauze, het sociaal isolement tijdens de coronapandemie, de ontoegankelijkheid van gebouwen, trottoirs en toiletten van horecazaken voor rolstoelgebruikers, etc. Uit deze ervaringen en noden, ontstonden netwerken, die op hun beurt weer leidden tot nieuwe verbindingen. Zoals eerder vermeld werden buurtgebruikers bijvoorbeeld betrokken bij vergroeningsprojecten in de wijk. Dankzij kleine ingrepen in de publieke ruimte zoals moestuinbakken, ontstonden nieuwe samenwerkingen: ateliers met kinderen van de huiswerkklas, initiatieven om de moestuinbakken te onderhouden, zaden en planten te verzamelen en kennis uit te wisselen.

25Hoewel publieke ruimte initieel niet expliciet aan bod was gekomen in onze visie op zorgzame buurten, bleek dit een belangrijke hefboom voor het creëren van verbindingen. Inzetten op de publieke ruimte bracht echter ook tal van uitdagingen met zich mee. Zo gingen we voorbij aan bepaalde individuele noden, wat kon leiden tot meer uitsluiting. Voor sommige patiënten van het wijkgezondheidscentrum met beperkte mobiliteit lag de nood bijvoorbeeld niet bij de ontoegankelijkheid van de buurt, maar van het eigen flatgebouw:

Mijn twee patiënten zijn op leeftijd, ze hebben veel moeite om zich te verplaatsen, ze leven op hun eigen ritme, daar valt niets aan te veranderen (…) Door hun beperkte mobiliteit wordt hun bewegingsruimte in de buurt heel klein. (…) Mijn patiënte kan bijvoorbeeld het gebouw niet uitkomen met haar rollator en moet wachten totdat een andere bewoner langskomt om haar te helpen de deur open te houden (Co-onderzoekster, schriftelijke focusgroep).

26Daarnaast kon publieke ruimte niet beantwoorden aan de diversiteit in gebruikers, ervaringen en noden in een buurt. Dit spanningsveld kwam sterk tot uiting in het Living Lab Res’O, waar we 46 bewoners, organisaties en bedrijven samenbrachten. De ruimte die bewoners, bedrijven, theaters en scholen in de buurt gebruiken en delen, was het uitgangspunt voor het gesprek. Het begon met enkele kaarten van de buurt die twee co-onderzoeksters ophingen in de inkomhal van gebouwen en organisaties en waarop mensen aangename en onaangename plekken konden aanduiden. Het groeide uit tot discussiemomenten en infosessies waarbij bewoners en buurtgebruikers voor het eerst als buren aan één tafel zaten. De netheid en veiligheid van de publieke ruimte waren thema’s die sterk aan bod kwamen. We merkten echter op dat de discussie beperkt bleef tot de noden van de aanwezige actoren en andere perspectieven ontbraken, bijvoorbeeld over de ervaring van dak- en thuisloosheid en het recht op huisvesting. Hoewel we organisaties aan bod lieten komen die sensibiliserend werk deden rond deze thema’s, kwamen deze stemmen niet rechtstreeks aan bod.

3.3. Oog voor machtsrelaties op project- en buurtniveau

27In MaN’Aige observeerden we machtsrelaties zowel op project- als op buurtniveau. Op projectniveau sijpelden structurele, maatschappelijke ongelijkheden door in de samenwerking tussen de deelnemers. Het project werd uitgewerkt en uitgevoerd door betaalde partners die deelnamen vanuit een professionele rol, hoewel de meesten ook als buurtgebruikers in de wijk aanwezig waren. Daarnaast werden vooral usual suspects betrokken, bewoners die al lange tijd in de buurt woonden, betrokken waren in wijkorganisaties of in contact stonden met lokale politici en buurtgebruikers die vanuit hun professionele rol tijd konden vrijmaken voor projecten in de buurt. Op vlak van gender, opleiding en socio-economische situatie, was de groep van co-onderzoekers en deelnemers vrij homogeen. Netwerken en initiatieven die bottom-up groeiden, zoals het moestuinproject of het netwerk rond groene ruimte, konden na afloop van het project niet verder structureel ondersteund worden door de projectpartners. Het opzetten van initiatieven leidde echter tot verwachtingen voor acties en veranderingen op de lange termijn, die door beperkte middelen en tijd, niet konden ingevuld worden.

28Op buurtniveau riep het betrekken van bepaalde buurtgebruikers, zoals lokale politici en privébedrijven, in ons project ethische vragen op over zorgzaamheid in een context van ongelijke, structurele machtsrelaties. In de zoektocht naar een plek voor het moestuinproject, kregen deelnemers bijvoorbeeld te maken met de belangen van private projectontwikkelaars. Op de site waar ze potentieel hun moestuin zouden kunnen uitbouwen, had de private projectontwikkelaar eerder honderden bomen gekapt, onder hevig protest van het buurtcomité. De projectontwikkelaar gebruikte later een gesprek over het moestuinproject om de eerdere kap van de bomen te verantwoorden. Een bewoonster, lid van het buurtcomité legde uit:

We hadden een vergadering met [projectontwikkelaar] zogenaamd om contact te leggen voor de aanleg van een moestuin op hun site, maar een dag later kwamen we te weten dat ze ons gesprek gerecupereerd hadden, en hadden we zogezegd ons akkoord gegeven voor de gekapte bomen (Co-onderzoeker, comité van co-onderzoekers).

29Daarnaast bood de conceptuele vaagheid van “zorgzame buurten” en “buurtgebruikers” veel flexibiliteit, maar leidde het er ook toe dat uitgesloten groepen en realiteiten onzichtbaar en voiceless bleven. Gaandeweg veranderde de focus van individuele zorgrelaties naar de publieke en groene ruimte. Enerzijds sloot dit aan bij een bredere visie op zorg waarbij andere actoren dan enkel bewoners betrokken zijn, anderzijds creëerde dit onduidelijkheid over wiens noden centraal stonden.

4. Conclusie

30Het MaN’Aige-project zette enkele stappen in het vraagstuk naar de maatschappelijke rol van buurtgebruikers, zoals bedrijven, socio-culturele en publieke instellingen en hun werknemers, in (zorgzame) buurten. Drie thema’s kwamen aan bod in het bouwen aan een zorgzame buurt met buurtgebruikers: 1) een bredere kijk op zorg als zorgzaamheid, 2) de gedeelde, publieke ruimte als hefboom voor verbinding en zorg, 3) oog hebben voor machtsrelaties op project- en buurtniveau. Onze resultaten toonden dat zorg niet in de nauwe zin maar breder beschouwd moest worden als zorgzaamheid, een opmerkzame houding naar de ander toe en de buurt. Er is al heel wat gaande in buurten, maar zorgzame buurten kunnen hierop inspelen door oog te hebben voor lokale noden en personen, middelen en activiteiten met elkaar te verbinden. Daarnaast was de publieke ruimte die buurtgebruikers en -bewoners delen een belangrijk uitgangspunt voor verbinding: groene ruimte en speelruimte voor kinderen (of het gebrek hieraan), pleinen en banken, maar ook de gebouwen en bouwprojecten. Tot slot was het belangrijk bestaande machtsrelaties onder de loep te nemen, zowel op het microniveau van relaties in het project, als op buurtniveau en aandachtig te zijn voor de bredere impact van de opgezette acties en een ethische dimensie. Hoewel we de waarde van zorgzame buurten erkennen, geeft het betrekken van buurtgebruikers meer inzicht over de grenzen van een zorgzame buurt en het belang van een andere visie op zorg. In volgend deel willen onze drie resultaten dan ook vanuit een kritische blik bekijken.

4.1. De grenzen aan zorg en zorgzaamheid binnen een falend zorgsysteem

31Binnen het kader van vermaatschappelijking van zorg is het belangrijk kritisch te kijken naar de maatschappelijke rol die buurtgebruikers, zowel organisaties als individuen, zouden kunnen of “moeten” opnemen in zorg. In MaN’Aige traden werknemers van het wijkgezondheidscentrum, de hogeschool en theaters buiten hun klassieke rol en waren deze betrokken in heel wat projecten in de wijk: vb. de moestuinprojecten van het wijkgezondheidscentrum of de buddywerking tussen studenten verpleegkunde en oudere buurtbewoners. In de resultaten beargumenteerden we al dat het betrekken van buurtgebruikers niet in de eerste plaats moet vertrekken vanuit het organiseren van extra zorg, maar vanuit het versterken van zorgzaamheid: een aandachtige houding ten aanzien van de buurt en haar bewoners. In MaN’Aige bleek immers dat één-op-één zorgrelaties met buurtgebruikers moeilijk duurzaam op te zetten waren, terwijl kleinschalige ingrepen in gedeelde ruimte en alledaagse ontmoetingen wél een ingang boden om een “zorgzaam buurtbewustzijn” te laten groeien. Zorgzaamheid functioneert hier als voorwaarde voor zorg: ze opent de mogelijkheid dat noden zichtbaar worden en dat er verbindingen ontstaan die later (soms) kunnen uitmonden in meer gerichte ondersteuning. Tegelijk schuift deze verschuiving de vraag naar voren waar de grens ligt tussen een waardevolle zorgzaamheid en het doorschuiven van zorgverantwoordelijkheden naar actoren die daar niet voor uitgerust of ondersteund zijn.

32Er bestaan dan ook grenzen aan de “zorg” met buurtgebruikers op vlak van vorm en intensiteit. In MaN’Aige bleef de betrokkenheid van buurtgebruikers beperkt en werden netwerken niet structureel ondersteund na het einde van het project. Zo stelde De Donder et al. [2021] dat hoewel zorgzame buurten (tijdelijk) kunnen beantwoorden aan concrete zorg- en welzijnsnoden in de buurt, ze geen structurele oplossing kunnen bieden voor een falend zorgsysteem, een systeem dat een besparingslogica hanteert en geen structurele ondersteuning biedt die het recht op zorg kan garanderen. Hoewel lokale contexten verschillen, wordt de laatste twee decennia op internationaal niveau gekenmerkt door een trend in het neoliberale marktdenken in sociale en gezondheidssectoren dat individualisering en winst vooropstelt [Raap et al., 2022]. Deze evolutie uit zich in beleid en praktijk, maar ook in een veranderende woordenschat: zorg aan huis wordt bijvoorbeeld “geleverd” in “zorgpakketten” [Garrett, 2018]. In Vlaanderen worden zorgvoorzieningen gebundeld in “zorgbedrijven” die zorg zo efficiënt mogelijk organiseren. In het “privatiseringsdecreet zorg” wordt zorg meer en meer als een vastgoedinvestering bekeken. De nadruk wordt gelegd op eigen verantwoordelijkheid en eigen voorziening. Het ondersteunen van informele zorg en zelfzorg gaat gepaard met een terugval van publieke voorzieningen, minder investering en het afbouwen van de welvaartstaat.

33Het betrekken van de buurtgebruikers in “zorgzame” initiatieven mag er echter niet toe leiden dat zorg opnieuw een morele en individuele verantwoordelijkheid wordt die leidt tot het doorschuiven van zorgtaken naar burgers en organisaties. De opdracht ligt daarom niet in “meer activeren”, maar in ondersteunen en investeren in zorg [De Donder, 2021; 2022]. Zoals Joan Tronto het formuleert:

Zorg heeft niet alleen betrekking op de intieme en dagelijkse routines van praktische zorgverlening, maar omvat ook bredere structurele reflecties over welke instellingen, mensen en praktijken ingezet moeten worden om concrete en reële zorgtaken uit te voeren [Tronto, 2013 : 139, eigen vertaling].

4.2. Een ruimtelijke visie op zorg

34In de resultaten toonden we dat de gedeelde, publieke ruimte een cruciale hefboom vormde voor verbinding tussen buurtbewoners en buurtgebruikers. Waar één-op-één zorgrelaties moeilijk duurzaam bleken, boden concrete ruimtelijke vraagstukken, zoals toegankelijkheid, vergroening, gebruik van groene ruimtes en pleinen, een gemeenschappelijk vertrekpunt om samenwerking op gang te brengen. Publieke ruimte functioneerde daarbij niet louter als achtergrond voor ontmoeting, maar als een actieve drager van zorgzaamheid: via kleine ingrepen in de leefomgeving (vb. de moestuinbakken in de straat) werden noden zichtbaar en ontstonden nieuwe netwerken vanuit een gedeeld verantwoordelijkheidsgevoel voor de buurt. Tegelijk maakten de living labs duidelijk dat publieke ruimte geen neutrale of vanzelfsprekend inclusieve plek is, en dat niet alle noden via ruimtelijke interventies beantwoord kunnen worden.

35Een ruimtelijke visie op zorg vraagt daarom om een kritische benadering. Ontmoeting in de publieke ruimte leidt niet automatisch tot sociale cohesie, maar hangt samen met machtsverhoudingen, en de manier waarop ruimte wordt ontworpen en beheerd [Aelbrecht en Stevens, 2019].

36Zo was de leefbaarheid van de gedeelde publieke ruimte en het creëren van groene ruimte in buurten bijvoorbeeld een belangrijk uitgangspunt voor verbinding in een diverse stedelijke context. Stedelijke vergroening kan zowel verbindend werken als uitsluitingsmechanismen versterken, onder meer via processen van gentrificatie of het verdringen van dak- en thuislozen [Jelks et al., 2021; Koprowska et al., 2020]. Tegelijkertijd worden in beleid en stedelijke planning, positieve discours rond groene ruimte als “inclusief”, “verbindend” en “genezend” benadrukt, waardoor negatieve en uitsluitende effecten geminimaliseerd of verhuld worden [Mullenbach, 2022]. Zo kunnen goedbedoelde initiatieven om meer groen in de buurt te brengen, tegelijkertijd leiden tot meer uitsluiting. Als zorgzame buurten publieke ruimte als hefboom inzetten, impliceert dit dus ook een verantwoordelijkheid om expliciet stil te staan bij wie toegang heeft tot die ruimte en welke groepen onzichtbaar of zelfs uitgesloten blijven.

37In beleid en praktijken van zorgzame buurten is momenteel nog weinig aandacht voor een ruimtelijke visie op zorg, het belang van publieke ruimte maar ook de mechanismes van uitsluiting. Anderzijds is er nog steeds weinig aandacht voor de ervaringen en (zorg)noden van bewoners, informele en formele zorgverleners en lokale spelers in urban planning en design van publieke ruimte. Zorg is niet enkel een zaak van lokale zorg- en welzijnsactoren, maar ook bedrijven, stedenbouwkundigen en alle aanwezige spelers die deel uitmaken van een buurt en verantwoordelijk zijn voor de omgeving waarin ze zich bevinden.

4.3. Oog voor machtsrelaties in zorgzame buurten

38In de resultaten werd duidelijk dat het bouwen aan zorgzame buurten niet enkel draait om het versterken van verbindingen, maar ook om het erkennen van de machtsrelaties waarbinnen die verbindingen tot stand komen. Zowel op projectniveau als op buurtniveau beïnvloedden bestaande ongelijkheden wie betrokken werd, wie tijd en middelen kon vrijmaken. In MaN’Aige engageerden vooral actoren die reeds professioneel of sociaal ingebed waren in de wijk. Tegelijk bleek dat samenwerkingen met grote instellingen of private actoren spanningen met zich meebrachten, bijvoorbeeld wanneer belangen rond stadsontwikkeling of imago doorwerkten in gesprekken over zorg en leefbaarheid. Deze ervaringen tonen dat zorgzame initiatieven zich steeds situeren binnen bredere economische en politieke verhoudingen, die mede bepalen wat mogelijk en zichtbaar wordt.

39We zien in de praktijk een dubbele beweging ontstaan. Enerzijds blijven informele zorgpraktijken in de marge met weinig tot geen formele ondersteuning. Anderzijds wordt via het beleid van zorgzame buurten een ideaalbeeld gepromoot van informele zorg. In de praktijk zijn deze initiatieven echter van korte duur, gefinancierd op basis van projectsubsidies.

40Een kritische blik op zorgzame buurten vereist daarom expliciete aandacht voor macht en structurele ongelijkheid. Zonder die reflex dreigt “de buurt” voorgesteld te worden als een homogene en harmonieuze gemeenschap, terwijl buurten gekenmerkt worden door uiteenlopende belangen en middelen. De “legitieme” spelers van een zorgzame buurt zijn dan bijvoorbeeld mensen die al lange tijd in de buurt wonen, terwijl mensen die niet tot één buurt behoren of in een precaire of tijdelijke woonsituatie zitten, nauwelijks bevraagd noch betrokken worden [Plovie en Goris, 2024]. Anderzijds kan in de communicatiestrategie van grote multinationals een zorgzaam imago bijvoorbeeld als uithangbord dienen en ongelijke machtsrelaties versterken [Shever, 2010]. Het erkennen en actief bespreken van deze structurele machtsrelaties, zowel binnen het project als in de bredere context, is hierbij een eerste, maar cruciale stap. Het is daarom belangrijk een reflexieve houding aan te nemen, zowel op projectniveau tussen verschillende betrokken personen en organisaties in een zorgzame buurt (Wie is betrokken? Wie wordt betaald?) als op macroniveau in de buurt (Wat is de impact van de acties? Hoe zijn deze gevormd door of versterken ze structurele ongelijkheid?). Indien projectmedewerkers en subsidiërende instellingen geen rekening houden met machtsrelaties, dienen zorgzame buurten louter als politieke window-dressing. Indien er echter aandacht is voor deze machtsrelaties kunnen zorgzame buurten een aandachtige houding naar de andere en de omgeving toe vooropstellen en inspelen op lokale, diverse noden. Daar waar de huidige visie op zorg voornamelijk focust op het verlenen en ontvangen van zorg als een product, bieden zorgzame buurten een bredere kijk op zorg als verbinding met een relationele en ruimtelijke aanpak gekant tegen maatschappelijke uitsluiting en onrechtvaardigheid.

De auteurs wensen Kate Meier en Dominique Mys te bedanken voor hun waardevolle feedback, en co-onderzoekers van het MaN’Aige project Karine Boussart, Kate Meier, Mia Laermans, Marilyn Magerotte, Anne-Laure Duchamps, Lut Cloetens en Willeke Bert voor hun bijdrage aan de reflecties in dit artikel.

Haut de page

Bibliographie

AELBRECHT, P. en STEVENS, Q., 2019. Public space design and social cohesion: An international comparison. New-York en Oxon: Routledge.

BISA.BRUSSELS, 2018. Wijkmonitoring. Indicator: Kantoordichtheid (m2/km2). In: Wijkmonitoring, BISA perspective.brussels [Dataset] [online]. [Geraadpleegd op 08/04/2026]. Beschikbaar op het adres: https://wijkmonitoring.brussels

BISA.BRUSSELS, 2019. Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei — 2014 - 2019. In: Wijkmonitoring, BISA perspective.brussels [Dataset] [online]. [Geraadpleegd op 08/04/2026]. Beschikbaar op het adres: https://wijkmonitoring.brussels

BISA.BRUSSELS, 2021. Wijkmonitoring. Indicator: Bevolkingsdichtheid (m2/km2). In: Wijkmonitoring, BISA perspective.brussels [Dataset] [online]. [Geraadpleegd op 08/04/2026]. Beschikbaar op het adres: https://wijkmonitoring.brussels

BLOEMEN, R., CAYMAX, K., VANDE WOESTYNE, L. en DERUTTER, R., 2022. Minder mazen, meer net. Aan de slag met zorgzame buurten. Brussel: SAAMO. Beschikbaar op het adres: https://www.opgroeien.be/kennis/toolbox/document-minder-mazen-meer-net-aan-de-slag-met-zorgzame-buurten

BONNEY, R., BALLARD, H., JORDAN, R., MCCALLIE, E., PHILLIPS, T., SHIRK, J. en WILDERMAN, C. C., 2009. Public Participation in Scientific Research: Defining the Field and Assessing Its Potential for Informal Science Education. Washington, D.C.: Center for Advancement of Informal Science Education (CAISE). Beschikbaar op het adres: https://files.eric.ed.gov/fulltext/ED519688.pdf

DE DONDER, L., SMETCOREN, A.-S., DURY, S., VAN REGENMORTEL, S., LAMBOTTE, D. F., DUPPEN, D., FRET, B., BROSENS, D., DE WITTE en VERTE, D., 2017. Zorginnovatie in Vlaamse proeftuinen: Onderzoek naar Actief Zorgzame Buurten in Brussel en Antwerpen. Brussel: Kenniscentrum Woonzorg Brussel.

DE DONDER, L., HOENS, S., STEGEN, H., KINT, O. en SMETCOREN, A.-S., 2021. Lokaal samenwerken in zorgzame buurten. Brussel: Koning Boudewijnstichting. Beschikbaar op het adres: https://kbs-frb.be/nl/lokaal-samenwerken-zorgzame-buurten

DE DONDER, L., KINT, O. en SMETCOREN, A.-S., 2022. Zorg als essentiële economie: holistisch, kleinschalig en lokaal. In: BASSENS, D. en DE BOECK, S. (eds.), De essentiële economie. Motor voor een sociaal-ecologische transitie. Brussel: ASP Editions. PP. 41-64.

DE DONDER, L., STEGEN, H. en HOENS, S., 2024. Caring neighbourhoods in Belgium: lessons learned on the development, implementation and evaluation of 35 caring neighbourhood projects. In: Palliative Care and Social Practice. 26/04/2024. Vol. 18, pp. 1–14. Beschikbaar op het adres: https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/26323524241246533

DE KOCK, C., DEMOULIN, L., FORTUNIER, C., HUSSON, E., MOENS, K., en RACAPÉ, J., 2023. Repenser l’aide et les soins de première ligne. In: BSI Position Papers. 03/04/2023. Nr. 4. Beschikbaar op het adres: https://bsiposition.hypotheses.org/1774

DEGRAEVE, L., KINT, O. en BOUSSART, K., 2022. De verborgen spelers in een zorgzame buurten. Bouwen aan een zorgzame buurt met buurtgebruikers. In: Cahier 20. Brussel: Kenniscentrum Wonen Welzijn Zorg.

DEPARTEMENT ZORG VLAAMSE OVERHEID, 2023. Wat is een zorgzame buurt? In: Vlaanderen. Departement zorg [online]. 2023. [Geraadpleegd op 08/04/2026]. Beschikbaar op het adres: https://www.zorgenvoormorgen.be/zorgzamebuurten/wat

DUPPEN, D., SMETCOREN, A.-S., HOENS, S., NACKAERTS, K. en DE DONDER, L., 2019. Antenneberoepen in de lokale gemeenschap als sleut voor doorverwijzing van kwetsbare ouderen naar hulporganisaties. In: Journal of Social Intervention: Theory and Practice. 20/06/2019. Vol. 28, nr. 4, pp. 3–23.

FINE, M. en GLENDINNING, C., 2005. Dependence, independence or inter-dependence? Revisiting the concepts of “care” and “dependency”. In: Ageing and Society. 30/06/2005. Vol. 25, nr. 4, pp. 601–621.

GABAUER, A., GLASER, M., CHRISTENSEN, L., LEHNER, J. M., JING, J. en LUNDBERG, S., 2022. Geographies of Aging: Hidden Dimensions of Care in Stockholm, Vienna, and Zurich. In: GABAUER, A., KNIERBEIN, S., COHEN, N., LEBUHN, H., TROGAL, K., VIDERMAN, T. en HAAS, T. (eds.), Care and the City. Encounters with Urban Studies, New York: Routledge. Pp. 171–182.

GARRETT, P., 2018. Welfare words: Critical social work & social policy. London: SAGE Publications.

GITTELL, R. en VIDAL, A., 1998. Community organizing: Building social capital as a development strategy. Thousand Oaks: SAGE Publications Inc.

GRANOVETTER, M., 1973. The strength of weak ties. In: American Journal of Sociology. 05/1973. Vol. 78, nr. 6, pp. 1360–1380. Beschikbaar op het adres: https://snap.stanford.edu/class/cs224w-readings/granovetter73weakties.pdf

JELKS, N. O., JENNINGS, V. en RIGOLON, A., 2021. Green gentrification and health: A scoping review. In: International Journal of Environmental Research and Public Health. 21/01/2021. Vol. 18, nr. 3. Beschikbaar op het adres: https://www.mdpi.com/1660-4601/18/3/907

KINT, O. en DE DONDER, L., 2026. Lessons Learned From a Co-Creative Research Project on Caring Neighbourhoods in Brussels: An Ethical Reflection on the Research Journey. In: International Journal of Qualitative Methods. 25/02/2026. Vol. 25, pp. 1-14.

KOPROWSKA, K., KRONENBERG, J., KUŹMA, I. B. en ŁASZKIEWICZ, E., 2020. Condemned to green? Accessibility and attractiveness of urban green spaces to people experiencing homelessness. In: Geoforum. 07/2020. Vol. 113, pp. 1–13.

MULLENBACH, L.., 2022. Critical discourse analysis of urban park and public space development. In: Cities. 01/2022. Vol. 120, nr. 103458.

PLOVIE, E., 2018. De overheid worstelt met de stem van kritische burgers. Onderzoek brengt burgerinitiatief in kaart. In: Sociaal.net [online]. 05/11/2018. [Geraadpleegd op 08/04/2026]. Beschikbaar op het adres: https://sociaal.net/achtergrond/burgerinitiatief-in-kaart/

PLOVIE, E. en GORIS, B., 2024. Zorgzame buurten vanuit een sociaal werk perspectief. Een kritisch perspectief van binnenuit. Leuven: Associatie KU Leuven. Beschikbaar op het adres: https://soc.kuleuven.be/ceso/respond/sociaalwerkonderzoek-associatie-ku-leuven-1/papers/zorgzame-buurten-vanuit-een-sociaal-werk-perspectief-een-kritisch-perspectief-van-binnenuit

POWER, E. en WILLIAMS, M., 2019. Cities of care: A platform for urban geographical care research. In: Geography Compass. 31/10/2019. Vol. 14, nr. 1, pp. 1–11.

PUTNAM, R. D., 2000. Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community. New York: Simon & Schuster Paperbacks.

RAAP, S., KNIBBE, M. en HORSTMAN, K., 2022. Caring neighbourhoods: maintaining collective care under neoliberal care reforms. In: European Journal of Social Work. 2022. Vol. 25, nr. 5, pp. 867–879.

SCHROOTEN, M., THYS, R. en DEBRUYNE, P., 2019. Sociaal schaduwwerk. Over informele spelers in het welzijnslandschap. Brussel: Politeia.

SHEVER, E., 2010. Engendering the company: Corporate personhood and the “face” of an oil company in metropolitan Buenos Aires. In: Political and Legal Anthropology Review. 13/05/2010. Vol. 33, nr. 1, pp. 26–46.

SMETCOREN, A.-S., DE DONDER, L., DUPPEN, D., DE WITTE, N., VANMECHELEN, O. en VERTÉ, D., 2018. Towards an Active Caring Community in Brussels. In: BUFFEL, T., HANDLES, S. en PHILLIPSON, C. (eds.), Age-friendly communities: A Global Perspective, pp. 97–118. Bristol: PolicyPress.

SOENEN, R., 2003. Ethnography of actualised social relationships: the ambivalence in the everyday life of city dwellers. In: Journal on Moving Communities. 2003. Vol. 3, pp. 55–71.

SOENEN, R., 2006. Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad. Antwerpen: Garant.

THE CARE COLLECTIVE, 2020. Care Manifesto: the politics of interdependence. New York: Verso.

TRONTO, J. C., 2013. Caring democracy: Markets, equality, and justice. New York: New York University Press

VANDEURZEN, J., 2018. Zorgzame Buurten: Inspiratienota [online]. Brussel. Beschikbaar op het adres: https://www.kenniscentrumwwz.be/sites/default/files/bijlagen/ZZB_Inspiratienota_ZorgzameBuurten_vlaamse_overheid_20180305.pdf

VANMECHELEN, O., TEUGELS, H., VAN THIEL, C., DRIES, J., MAKAY, I. en VAN OSSELT, I., 2014. Masterplan Woonzorg Brussel 2014-2020. Deel 3 Speerpunten voor een toekomstgericht woonzorgbeleid. Brussel: Kenniscentrum Woonzorg Brussel. Beschikbaar op het adres: https://www.brudoc.be/opac_css/doc_num.php?explnum_id=241

VERTÉ, D., BEKAERT, A., DENYS, B., DE MUYNCK, J., DE VRIENDT, T., MOONS, S., PEETERS, T., SABLON, W., TEUGELS, H., THEYS, F., TOMSIN, W., VERHOEVEN, I. en VERVAET, C., 2016. Buurtgerichte Zorg. De actief zorgzame buurt als toekomstmodel voor Vlaanderen en Brussel. Brussel: VVDC & Kenniscentrum Woonzorg Brussel. Beschikbaar op het adres: https://www.kenniscentrumwwz.be/kennisbank/buurtgerichte-zorg-de-actief-zorgzame-buurt-als-toekomstmodel-voor-vlaanderen-en-brussel

VGC, 2023. Zorgzame Buurten. Vlaamse Gemeenschapscommissie [online]. In: N-Brussel [online]. 2023. [Geraadpleegd op 08/04/2026]. Beschikbaar op het adres: https://www.vgc.be/subsidies-en-dienstverlening/welzijn/zorgzame-buurten

WEGLEITNER, K. en SCHUCHTER, P., 2018. Caring communities as collective learning process: Findings and lessons learned from a participatory research project in Austria. In: Annals of Palliative Medicine. 04/2018. Vol. 7, Suppl. 2, pp. S84–S98. Beschikbaar op het adres: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/29764175/

Haut de page

Notes

1 Vijf geselecteerde projecten zijn: Connect Karreveld, Zorg-conciergerie-des Soins, Be Coming Home, Chasse Coeur, Zorgzaam Neder-Over-Heembeek en Peterbos Solidaire

2 https://www.innoviris.brussels/program/co-create

3 https://youtu.be/iDOwvysin_4

4 https://www.kenniscentrumwwz.be/cahier-de-verborgen-spelers-een-zorgzame-buurt

Haut de page

Pour citer cet article

Référence électronique

Octavia Kint, Lieselot Degraeve, An-Sofie Smetcoren et Liesbeth De Donder, « Zorgzame buurt in Brussel. Verbindingen opbouwen tussen buurtgebruikers »Brussels Studies [En ligne], Collection générale, document 218, mis en ligne le 10 juin 2026, consulté le 15 juillet 2026. URL : http://journals.openedition.org/brussels/9280 ; DOI : https://doi.org/10.4000/16dia

Haut de page

Auteurs

Octavia Kint

Octavia Kint is vrijwillig onderzoeksmedewerker bij het Society and Ageing Research Lab (SARLab). Haar doctoraatsonderzoek, uitgevoerd binnen het MaN'Aige-project, onderzocht hoe zorgzame buurten in een stedelijke context kunnen worden opgebouwd via cocreatief onderzoek. Daarbij bestudeerde zij de relaties met buurtgebruikers en de manier waarop machtsonevenwichten en structurele uitsluiting kunnen worden aangepakt. Recente publicatie: Kint, O. en De Donder, L., 2026. Lessons Learned From a Co-Creative Research Project on Caring Neighbourhoods in Brussels. In: International Journal of Qualitative Methods, nr. 25, pp. 1–14.
octavia.kint[at]vub.be

Lieselot Degraeve

Lieselot Degraeve is kennisvalorisatiecoördinator bij het Society and Ageing Research Lab (SARLab), Vrije Universiteit Brussel, en communicatieverantwoordelijke bij het Kenniscentrum Welzijn, Wonen, Zorg. In die functies vertaalt zij onderzoeksresultaten naar toegankelijke publicaties over welzijn en zorg in Brussel. Recente publicatie: Degraeve, L., Kint, O. en Boussart, K., 2022. De verborgen spelers in een zorgzame buurt. In: Cahier 20. Kenniscentrum Welzijn Wonen Zorg.
lieselot.degraeve[at]vub.be

An-Sofie Smetcoren

An-Sofie Smetcoren is hoogleraar Volwasseneneducatiewetenschappen en medehoofd van het Society and Ageing Research Lab (SARLab), Vrije Universiteit Brussel. Zij leidt er de onderzoekslijn Wonen en leefomgeving”. Recente publicatie: Mosseray, J., Aernouts, N. en Smetcoren, A.S., 2025. Care and Living in Community. In: Housing, Theory and Society, nr. 42(4), pp. 410–428.
an-sofie.smetcoren[at]vub.be

Liesbeth De Donder

Liesbeth De Donder is hoogleraar Volwasseneneducatiewetenschappen en directeur van het Society and Ageing Research Lab (SARLab), Vrije Universiteit Brussel. Zij leidt er het onderzoeksprogramma “Zorg en zorgzame buurten”. Recente publicatie: De Donder, L., Stegen, H. en Hoens, S., 2024. Caring neighbourhoods in Belgium. In: Palliative Care and Social Practice, nr. 18, pp. 1–14.
liesbeth.de.donder[at]vub.be

Haut de page

Financement

Innoviris

Haut de page

Droits d’auteur

CC-BY-4.0

Le texte seul est utilisable sous licence CC BY 4.0. Les autres éléments (illustrations, fichiers annexes importés) sont susceptibles d’être soumis à des autorisations d’usage spécifiques.

Haut de page
Rechercher dans OpenEdition Search

Vous allez être redirigé vers OpenEdition Search