Navigation – Plan du site

AccueilPublicationsCollection générale2026Verhalen over de verdwijning van ...

2026
219

Verhalen over de verdwijning van amfibieën in Brussel

Raconter les disparitions d'amphibiens à Bruxelles
Reconstructing the disappearance of amphibians in Brussels
Ariane d’Hoop
Traduction de Annelies Verbiest (AV Translations)
Cet article est une traduction de :
Raconter les disparitions d'amphibiens à Bruxelles [fr]
Autre(s) traduction(s) de cet article :
Reconstructing the disappearance of amphibians in Brussels  [en]

Résumés

Que sait-on de l’extinction animale à Bruxelles ? Les inventaires commandités par Bruxelles Environnement renseignent les espèces présentes, abondantes ou rares, et celles déclarées éteintes. Mais qu’est-il arrivé à ces espèces disparues ? Quelles histoires singulières ces mots recouvrent-t-ils ? Cet article tente de raconter les extinctions, constatées au 19e et 20e siècles, de cinq espèces d’amphibiens ayant été éliminées de la ville. Il tisse des observations naturalistes menées in situ à un ensemble de savoirs éclectiques pour revisiter les lieux où des crapauds, grenouilles et tritons ont disparu, tout en se rapprochant au mieux de ces extinctions concrètes et de leurs expériences pour ceux qui s’en sont souciés. Ces cinq histoires se greffent à la question actuelle des milieux humides en ville. Elles y ajoutent des prismes d’attention qui interrogent nos capacités de cohabitation avec d’autres vivants en territoire urbain. Ces récits montrent aussi combien les amphibiens qui sont repérés et soutenus dans ces milieux aujourd’hui ne sont pas simplement ceux qui y sont présents, mais sont aussi ceux qui restent. Ils subsistent sur un territoire marqué par des pertes massives, ayant pris cours sur la durée et dont le processus n’est pas encore enrayé. Enfin, cette étude d’extinctions locales soulève la nécessité, au sein de l’écologie politique, de restituer des histoires oubliées malgré la modestie des sources disponibles.

Haut de page

Notes de la rédaction

Om de figuren in een betere resolutie te bekijken, raadpleegt u het artikel online en klikt u op “Origineel” onder elke figuur.

Texte intégral

1. Verhalen over uitsterving

1Wat weten we over de uitsterving van diersoorten in Brussel? De gewestelijke inventarissen en atlassen brengen in kaart welke diersoorten er aanwezig zijn, welke er talrijk of zeldzaam voorkomen en welke er uitgestorven verklaard zijn. Volgens Leefmilieu Brussel [2021] zijn vooral vlinders, reptielen en amfibieën zwaar getroffen. Kikkers, padden en watersalamanders kwamen in gevaar doordat het landschap verdroogde en bosrijke leefgebieden verloren gingen. Alle studies over amfibieën in de Brusselse regio beschrijven dezelfde evolutie: een voortdurende achteruitgang [Percsy, 1998; Weiserbs en Jacob, 2005; Graitson et al., 2022], vergelijkbaar met de uitstervingen die wereldwijd op veel plaatsen vastgesteld worden [Kemp, 2021: 118]. Uit verkenningen in Brussel blijkt dat vijf van de veertien waargenomen soorten er niet langer voorkomen en niet meer zullen terugkeren. Wat is er dan precies gebeurd met die verdwenen soorten? Nu biodiversiteitsverlies een ingeburgerd begrip geworden is, rijst de vraag welke concrete situaties en welke bijzondere verhalen er achter dit woord schuilgaan.

  • 1 Voor een kritisch overzicht van deze situaties, zie D’Haenens [2025].

2Dit artikel wil het stilzwijgen rond de uitsterving van soorten in Brussel doorbreken door te onderzoeken wat er met de verdwenen amfibieën gebeurd kan zijn. Hun verhaal is onlosmakelijk verbonden met de aanwezigheid van water in de stad. Aangezien amfibieën een deel van hun leven als larve in het water en een deel als volwassen dier op het land doorbrengen (amphi-bios), waren ze afhankelijk van natte leefgebieden zoals vijvers, poelen, moerassen en drassige graslanden. Die waren zo’n tweehonderd jaar geleden nog wijdverspreid in de Zennevallei en langs haar zijlopen [Weiserbs en Jacob, 2005: 6-7]. De vijf verhalen die hierna verteld worden, zijn wellicht maar enkele momentopnames in het geleidelijke proces van de vermindering van waterpartijen. Dat proces begon al in de vijftiende eeuw, maar nam in de negentiende eeuw een ongeziene omvang aan door waterbouwkundige werken [Deligne, 2003: 215-219] en de verfraaiing van de burgerwijken [Leblicq, 1983: 264]. Na de Tweede Wereldoorlog versnelde die evolutie verder gedurende vijfendertig jaar van “ongebreidelde bebouwing” en een “aanzienlijke uitbreiding van het wegennet” [Leblicq, 1983: 278]. Vandaag staat de waterproblematiek in Brussel opnieuw hoog op de agenda. De verharding van de bodem wordt steeds vaker ter discussie gesteld vanwege de risico’s op overstromingen en hittegolven, waaraan vooral volkswijken blootgesteld zijn. Daarnaast worden waterlopen opnieuw opengelegd of ecologisch hersteld, terwijl bewonerscollectieven zich inzetten voor het behoud van moerasgebieden die bedreigd worden door bouwprojecten of nieuwe vervoersinfrastructuur1. De verhalen over verdwenen amfibieën geven deze discussies een extra dimensie. Ze zetten aan tot nadenken over de vraag of we in de stad werkelijk ruimte kunnen en willen maken voor andere levende wezens die van het stedelijk gebied afhankelijk zijn.

  • 2 Uit de almanakken blijkt dat de Kikkerstraat in Molenbeek omgedoopt werd tot de Ganshorenstraat in (...)
  • 3 Deze tendens komt ook tot uiting in de communicatie van de overheid en in de film van Crutzen [2013 (...)

3De poging om deze dieren en de plaatsen waar ze verdwenen zijn een historische diepgang te geven, brengt nog een tweede uitdaging aan het licht, namelijk hoezeer het uitsterven van deze soorten nog altijd in stilte gehuld is. De verdwenen amfibieën zijn immers zowel uit het landschap als uit de beschikbare documentatie verdwenen. Hun vroegere aanwezigheid is nauwelijks nog zichtbaar. Wie vandaag naar de stad kijkt, ziet vooral wat er aanwezig is, namelijk de aangelegde infrastructuur en de levende wezens die daarin of daartussen leven, maar niet de sporen van de ecologische schade die de verstedelijking veroorzaakt heeft. Dat blijkt ook uit de verdwijning van plaatsnamen die ooit naar de aanwezigheid van amfibieën verwezen2. Bovendien komt de uitsterving van deze diersoorten vrijwel nergens aan bod in publicaties voor het grote publiek, waarin de Brusselse natuur geprezen wordt zonder aandacht voor de levende wezens die de prijs van de stadsontwikkeling betaald hebben3.

  • 4 Deze benadering doorbreekt de aanname dat de uitsterving van diersoorten een mondiaal fenomeen is d (...)

4Naast de concrete onzichtbaarheid van verdwenen soorten is er ook de onzichtbaarheid van uitsterving als ramp. Want wat betekent één lokaal verlies, één kleine tragedie, wanneer die deel uitmaakt van een veel groter proces “waarin een oneindig aantal microbeslissingen samenkomen” en dat, aantasting na aantasting, uitmondt in grootschaligere uitstervingen [Semal, 2013: 11]? Dit artikel benadert dat probleem van onzichtbaarheid vanuit de Extinction Studies. In plaats van uitsterven uitsluitend vanuit een globaal perspectief te bestuderen, richten deze onderzoekers zich op gedetailleerde casestudy’s waarin zich, nog voordat het laatste dier sterft, “stillere processen van verlies” afspelen binnen specifieke gemeenschappen en op specifieke plaatsen [Rose et al., 2017: 1, eigen vertaling]. Daarbij maken ze gebruik van etnografie en microgeschiedenis om beter te begrijpen hoe uitsterven verweven is met manieren van leven, sterven en relaties aangaan met andere levende wezens [van Dooren, 2014: 1-18]. Zij pleiten ervoor om plaatsgebonden uitstervingen te beschrijven en zichtbaar te maken wat deze verdwijningen betekenen, los van het louter biologische verlies [Garlick en Symons, 2020] 4.

  • 5 Dit onderzoeksproject vertrekt vanuit de behoefte om opnieuw betekenis te geven aan levende wezens (...)

5Mijn aandacht voor verdwenen amfibieën begon tijdens mijn antropologisch onderzoek naar de natuur, waarvoor ik samenwerk met naturalisten – meestal hobbyisten – die zich in Brussel inzetten voor bedreigde diersoorten. De gewestelijke atlassen [Graitson et al., 2022; Weiserbs en Jacob, 2005] brachten het verborgen deel van de ijsberg aan het licht: de soorten die verdwenen waren uit de situaties die ik vandaag bestudeer. Daardoor werd het nodig om mijn etnografisch onderzoek ook historisch te benaderen, maar eenvoudig was dat niet. Want hoe geef je opnieuw betekenis aan het leven van individuele dieren wanneer ze massaal verdwijnen? Of wanneer de zintuiglijke ervaring en rechtstreekse getuigenissen over dat verlies grotendeels ontbreken [Guidée, 2021]? Daarom heb ik een beperkt en fragmentarisch corpus zo zorgvuldig mogelijk onderzocht en aangevuld. Dat betekende de beschikbare bronnen grondig onderzoeken, oog hebben voor wat ze ondanks hun beperkingen toch vertellen, maar ook voor de lacunes die onverschilligheid in de hand kunnen werken. Die leemtes werden waar mogelijk opgevuld met aanvullende bronnen5. Op basis van de atlassen, hun referenties en interviews met vier biologen tussen 2019 en 2025 reconstrueerde ik de historiek van deze verdwijningen, los van de cijfergegevens en zo dicht mogelijk bij wat erover verteld kan worden. Daarvoor bracht ik uiteenlopende kennisbronnen samen: biologische en ethologische studies, onderzoek naar specifieke locaties, archieven en historische kaarten (voor de negentiende eeuw), luchtfoto’s (voor de twintigste eeuw) en gepubliceerde terreinwaarnemingen van naturalistische buurtbewoners. Vooral die laatste bleken bijzonder waardevol. Elke bron werd gebruikt voor zover ze een bijkomend element kon aanreiken voor de reconstructie. Uiteindelijk blijken vooral de waarnemingen van twee naturalisten bijzonder relevant bij de reconstructie van de verhalen: Georges Albert Boulenger (1858-1937) en Hellin de Wavrin (1946-2016). Dankzij hun gepubliceerde terreinwaarnemingen kunnen we ons een beter beeld vormen van wat deze verdwenen amfibieën mogelijk overkomen is.

2. De rugstreeppad: nieuwe blik op een bouwplaats (1876)

6Dat de rugstreeppad (Epidalea calamita, vroeger Bufo calamita) in de regio van Brussel voorkwam, blijkt uit enkele exemplaren die bewaard worden in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen [Graitson et al., 2022: 49]. In juni 1876 bracht Georges Boulenger, toen een jonge assistent-naturalist aan het Instituut, een mannetje en een vrouwtje met een met eieren gevulde buik binnen. Hij had ze gevonden in het Ter Kamerenbos (Figuur 1). Wellicht wandelde hij bij valavond langs het meer, waar hij de luide, rollende roep van de mannetjes hoorde waarmee zij vrouwtjes lokken. Die roep is tot op meer dan een kilometer afstand hoorbaar, maar verstomt wanneer er andere toehoorders in de buurt komen [Boulenger, 1897: 63]. Toen Boulenger ze vond, was hij waarschijnlijk bezig met het samenstellen van een referentiecollectie om zijn kennis van de herkenning van bepaalde soortengroepen te verfijnen. Voor hem waren deze padden op dat moment maar twee exemplaren van de vele die hij voor het museum verzamelde.

Figuur 1. Het koppeltje rugstreeppadden dat G. Boulenger in 1876 verzamelde en overbracht naar het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen

Figuur 1. Het koppeltje rugstreeppadden dat G. Boulenger in 1876 verzamelde en overbracht naar het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen

Door de bewaring van deze exemplaren in alcohol en de blootstelling aan licht is hun huid verbleekt.

Bron: foto gemaakt door de auteur, 3 maart 2025

7Het verhaal had hier kunnen eindigen, mocht Boulenger niet veertig jaar later, na een carrière aan het Natural History Museum in Londen die hem internationale bekendheid als taxonoom opgeleverd had, een lezing gepubliceerd hebben die aanleiding geeft om erop terug te komen [Boulenger, 1922a en 1922b]. In dat artikel betreurt hij het dat er in België weinig wetenschappelijke aandacht gaat naar amfibieën en hun relatie met het landschap. Hij heeft het over de rugstreeppadden die – toen hij ze gevonden had – frequent voorkwamen aan de oevers van het meer in het Ter Kamerenbos, maar die inmiddels verdwenen waren. Boulenger gaat niet op zoek naar de redenen waarom deze padden verdwenen zijn. Wel pleit hij ervoor om de leefgebieden die deze dieren eerst bevolkten en later weer verlaten hebben beter te begrijpen, zonder dat iemand zich daar destijds echt om bekommerde.

  • 6 Tussen 1822 en 1842 kromp het Zoniënwoud aanzienlijk toen de Société Générale het bos- en grondbezi (...)
  • 7 In 1865 en 1866 voerden hevige regenbuien grote hoeveelheden water af naar het gehucht Boondaal. In (...)
  • 8 Duquenne [1989: 82] en de vragen van Keilig voor deze werken.
    KEILIG, E., 1864-1883. Divers rapports (...)

8Wat waren die leefgebieden dan? Toen de jonge Boulenger in 1876 rugstreeppadden verzamelde, werden ze door naturalisten nog in bijna heel België aangetroffen, in vochtige graslanden, bosjes, tuinen en heidevelden [Dubois, 1873: 173]. Dat deze padden zich graag vestigen op door industriële of ontginningsactiviteiten verstoorde terreinen, zoals steengroeven, braakliggende gronden en steenbergen, was toen nog niet bekend, hoewel dergelijke landschappen in België al bestonden [Graitson en Denoël, 2007: 145-147]. Dankzij de huidige kennis, die de rugstreeppad in verband brengt met terreinen in ontwikkeling of in aanleg, kunnen we de geschiedenis van deze soort in het Ter Kamerenbos beter begrijpen. Als de dieren die Boulenger verzamelde er volgens hem algemeen voorkwamen, moeten ze er al verschillende generaties geleefd hebben. Hun voorouders bereikten het gebied van het toekomstige Ter Kamerenbos waarschijnlijk al vanaf de jaren 1820, na de ontginning van dit deel van het Zoniënwoud onder beheer van de Société Générale, die hout leverde voor de industriële ontwikkeling van het land [Duquenne, 1989: 10]6. Daarna volgden ze vermoedelijk de opeenvolgende kapvlakten en hakhoutpercelen die de overheid exploiteerde, totdat het terrein aan de Stad Brussel overgedragen werd voor de aanleg van het park [Duquenne, 1989: 9]. Tijdens hun winterslaap of zomerrust groeven de padden vermoedelijk hier en daar holen in de omgewoelde bodem gedurende de grondwerken en de aanleg van het meer tussen 1862 en 1866 [Duquenne, 1989: 28-31]. Doordat rugstreeppadden hun voortplanting kunnen afstemmen op tijdelijke waterplassen, profiteerden ze vermoedelijk van de ondiepe stilstaande wateren die na regen ontstonden door de nieuwe reliëfvormen van het park en waar nauwelijks roofdieren van kikkervisjes voorkwamen7. Toen Boulenger de twee padden verzamelde die hij later aan het museum zou schenken, waren de wandelwegen en recreatieve voorzieningen bijna voltooid, terwijl de boomkap, de aanplanting van hakhout en de inzaaiing van de grasvelden nog volop aan de gang waren8.

9Hoe komt het dat Boulenger enkele decennia later geen rugstreeppadden meer vond? Waarschijnlijk voelden de padden zich meer thuis op de losse bodems van terreinen in aanleg, door de wielsporen, kuilen en plassen die erin ontstonden, dan in een afgewerkt park met verschillende gebruiksdoeleinden. Vanaf 1866 raakte het gebied alsmaar dichter begroeid [Pierron, 1973: 168], waardoor de zonnige open plekken die deze padden verkiezen geleidelijk aan verdwenen. Bovendien groeide het Ter Kamerenbos uit tot een drukbezochte plaats. Er kwamen berijdbare wegen, wandel- en recreatiemogelijkheden, grote feesten en sportactiviteiten. De verdwijning van de rugstreeppad is wellicht het gevolg van die nieuwe dynamiek, waarbij zowel de inrichting van het park als de toegenomen drukte een rol speelden. Mogelijk werd dat nog versterkt doordat de oevers van het meer eind jaren 1880 verstevigd werden met breuksteen en straatkasseien [Duquenne, 1989: 82], waardoor de dieren moeilijk of niet meer uit het water geraakten. Als zeer mobiele pioniersoort trok de rugstreeppad vermoedelijk naar geschiktere leefgebieden buiten het Ter Kamerenbos. Tegen het einde van de negentiende eeuw waren de omliggende gehuchten echter al verstedelijkt en werd het Ter Kamerenbos langs alle kanten ingesloten door brede lanen en een dicht netwerk van straten dat vóór de aanleg van het park nauwelijks bestond (Figuren 2a en 2b).

Figuur 2a. Ter Kamerenbos, uitsnede uit een kaart van Brussel, gepubliceerd in 1857 [Dubois].

Figuur 2a. Ter Kamerenbos, uitsnede uit een kaart van Brussel, gepubliceerd in 1857 [Dubois].

Figuur 2b. Ter Kamerenbos, uitsnede uit een kaart van Brussel, gepubliceerd in 1900

Figuur 2b. Ter Kamerenbos, uitsnede uit een kaart van Brussel, gepubliceerd in 1900

Deze kaarten laten zien hoe de omgeving van het Ter Kamerenbos in deze twee periodes verstedelijkte.

Bronnen: DUBOIS, F., 1857. Kaart van de omgeving van Brussel voor wandelaars, ruiters en automobilisten, met nuttige informatie voor deze gebruikers. Gegraveerd door J.B. Blasseau en P.J. Doms. Établissement géographique de Bruxelles, en KIESSLING & CIE (ed), 1900. Carte pittoresque des environs de Bruxelles. Brussel: Librairie Kiessling & Cie. Beschikbaar in de Koninklijke Bibliotheek van België, KBR

3. De boomkikker: onnauwkeurig gedocumenteerde dempingen (jaren 1970)

  • 9 Zijn portret is gebaseerd op interviews met twee mensen uit zijn naaste omgeving.
  • 10 Op basis van een vergelijking van de luchtfoto's van het gebied, beschikbaar op de website van Bruc (...)

10De boomkikker (Hyla arborea), een kleine klimmende kikker met een appelgroene huid en goudkleurige iris, brengt het grootste deel van zijn leven door tussen de bladeren van struiken [de Witte, 1948: 141; Figuur 3]. Eind jaren 1980 schreef Hellin de Wavrin dat de soort vroeger “zowat overal rond het Zoniënwoud” voorkwam, maar intussen “op gewestelijk niveau bijna verdwenen was” [de Wavrin, 1988: 132]. De Wavrin was een amateur-naturalist die al van jongs af een grote passie voor de natuur had. Die betrokkenheid groeide uit tot een vanzelfsprekende en onverstoorbare levenshouding9. Van de jaren 1960 tot zijn overlijden in 2016 bezocht hij onvermoeibaar alle Brusselse natuurgebieden, vooral die in het zuiden van de stad, in Ukkel en aan de rand van het Zoniënwoud, waar hij woonde. Ondanks zijn herhaaldelijke avondlijke luistertochten heeft hij de krachtige roep van de boomkikker – een reeks volle, staccatoachtige tonen – nooit meer gehoord, hoewel die tot de krachtigste van alle Belgische amfibieën behoort. Behalve op locaties in de omgeving van de stad had de Wavrin boomkikkers vroeger gehoord bij een vijver in een moerassige vallei in Ukkel, die in 1964 gedempt werd, en in een moeras in Anderlecht dat in 1962 opgevuld werd [de Wavrin, 1988: 133]. Hij voegt eraan toe dat een kennis van hem ze nog hoorde aan de Visserijvijver in Watermaal-Bosvoorde, waar de kikkersoort volgens een anonieme bron nog tot in de jaren 1970 voorkwam, en in Etterbeek, op basis van “een oude waarneming op een verdwenen locatie” [de Wavrin, 1988: 132]. Over deze leefgebieden van de boomkikker kan er echter niet veel meer gezegd worden. Wanneer de Wavrin het jaar van een demping vermeldt, lokaliseert hij de locatie niet nauwkeuriger dan op gemeentelijk niveau. Wanneer hij een locatie wel preciseert, zoals de Visserijvijver, ontbreekt dan weer een exacte datering. Onderzoek naar verdwenen vijvers in Ukkel doet vermoeden dat het om de Lecomtevijver aan de voet van de Kauwberg gaat. Die werd in 1964 gedempt, aangesloten op de riolering en vervolgens begraven onder nieuwe woningen. Vermoedelijk hebben de grote appartementsgebouwen die in de jaren 1970 en 1980 rond de Visserijvijver gebouwd werden, een impact gehad op de gras- en struikvegetaties waarin deze boomkikkers leefden10.

Figuur 3. Tekening van boomkikkers, gemaakt op basis van foto’s

Figuur 3. Tekening van boomkikkers, gemaakt op basis van foto’s

Bron: illustratie gepubliceerd in de Witte [1948: 143]. Reproductie met toestemming van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen

4. Reconstructie van het ontwrichte nomadisme van de vroedmeesterpadden (jaren 1970)

11Tot het einde van de jaren 1950 herkende de Wavrin tijdens zijn nachtelijke bezoeken ook de kenmerkende roep van de vroedmeesterpad (Alytes obstetricans). Soms lokte hij hun roep zelfs uit om ze beter te kunnen lokaliseren: “Als ze door een verstoring stoppen met zingen, bijvoorbeeld wanneer iemand met de voet op de grond stampt, kan je ze opnieuw laten beginnen door hun gefluit na te bootsen” [de Wavrin, 1978: 160]. Hij deed deze verkenningen uitsluitend op het gehoor, omdat deze kleine padden meestal verscholen bleven in spleten en holten in de bodem. In die tijd riepen ze aan de Vijvers van de Verdronken Kinderen in Watermaal-Bosvoorde, in Ukkelse tuinen en in een toen nog actieve zandgroeve in de de Perckestraat. Die laatste locatie lag, zoals de Wavrin opmerkte, in hetzelfde stroomgebied als de vijvers in Linkebeek, waar deze zangers ook voorkwamen [de Wavrin, 1978: 165].

  • 11 Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden in de omgeving van Ukkel vroedmeesterpadden waargenom (...)

12De laatste wilde Brusselse kolonie vond hij in de rotspartijen boven de vijver van het Sauvagèrepark in Ukkel, waar ze tot de jaren 1970 leefde [de Wavrin, 1988: 162; Figuur 4]. Deze laatste kolonie moet de vijver na 1910 bereikt hebben, nadat een rijke industrieel hem had laten aanleggen. De vroedmeesterpadden moeten er ofwel geplaatst zijn, ofwel de plek bereikt hebben vanuit de vijvers rond de vroegere gehuchten van Klein-Sint-Job, op minder dan een halve kilometer afstand11. Het terrein werd tijdens de Tweede Wereldoorlog bezet. Daarna lag het er verlaten bij, tot de gemeente Ukkel het eind jaren 1960 kocht om er een openbaar park van te maken [Pons-Rotbardt, 2021]. De bezoekersdruk in het park heeft de kolonie wellicht verzwakt, waarna ze in de jaren nadien verdween. Maar haar kwetsbaarheid leek vooral te maken te hebben met haar isolement.

Figuur 4. Foto die H. de Wavrin maakte toen hij de laatste kolonie vroedmeesterpadden tussen de rotspartijen van het Sauvagèrepark vond

Figuur 4. Foto die H. de Wavrin maakte toen hij de laatste kolonie vroedmeesterpadden tussen de rotspartijen van het Sauvagèrepark vond

Bron: [de Wavrin, 1978: 162]. Reproductie met toestemming van het tijdschrift Les Naturalistes Belges

  • 12 Aangezien Brussel aan de noordgrens van het verspreidingsgebied van de vroedmeesterpad ligt, is de (...)

13Dat komt doordat de relatie van de vroedmeesterpad met zijn leefomgeving verschilt van die van andere padden. Ze paren niet in het water, maar op het land. Na de bevruchting wikkelt het mannetje de eisnoeren om zijn achterpoten – vandaar de naam vroedmeesterpad – en draagt hij ze enkele weken met zich mee. Tijdens die periode houdt hij de eitjes vochtig door ‘s nachts geregeld het water op te zoeken. Daardoor kan de vroedmeesterpad gebruikmaken van uiteenlopende waterhabitats, op voorwaarde dat die zich dicht bij een stenige schuilplaats bevinden waar de dieren zich groepsgewijs kunnen terugtrekken: steengroeven, industriële braakterreinen, oude muren, begraafplaatsen, zonnige taluds, parken en tuinen met rotspartijen of stapels dakpannen [Graitson et al., 2022: 52]. Dergelijke kunstmatige leefgebieden zijn zeer gevoelig voor verandering of verbossing wanneer ze niet onderhouden worden12, maar de vroedmeesterpad blijft er trouw aan zolang de omstandigheden gunstig blijven. Zodra die verslechteren, kunnen de dieren zich verplaatsen op zoek naar een andere geschikte locatie, tot op een kilometer afstand [de Wavrin en Graitson, 2007: 106-107]. Dat vermogen om zich op die manier te verplaatsen, vestigt de aandacht op de verbindingen – of de verbroken verbindingen – tussen de plaatsen waar deze padden voorkomen.

14In Brussel raakten de kleine, plaatselijke kolonies van elkaar geïsoleerd als gevolg van de demping van sommige poelen waar zij gebruik van maakten. In de jaren 1980 trof de Wavrin verschillende kolonies aan in een aantal gemeenten net ten zuiden van Brussel (Eigenbrakel, Sint-Genesius-Rode en Terhulpen). Hij veronderstelde dat deze kolonies enkele decennia eerder nog een nomadisch bestaan geleid hadden binnen een minder bebouwd gebied met meer poelen. Met andere woorden, de suburbanisatie vanaf de jaren 1960 maakte deze kolonies kwetsbaar doordat ze van elkaar afgesneden werden. Daarom bracht de Wavrin de zandgroeve in de de Perckestraat in verband met het stroomgebied van de Linkebeek: volgens hem konden vroedmeesterpadden zich wellicht langs die weg naar Ukkel verplaatsen. Ook de vroegere vijvers van Sint-Job hebben wellicht gediend als verbindingsroute naar het Sauvagèrepark. Het gaat hier dus niet gewoon om de demping van lokale poelen, maar om het uiteenvallen van een keten van waterpartijen. De Wavrin [1988: 131] brengt de poelen van Sint-Genesius-Rode, de Verdronken Kinderen, Linkebeek en Ukkel met elkaar in verband en schrijft: “Aan die kant liggen ze verder uit elkaar, maar hoeveel door vroedmeesterpadden bezette locaties moeten er niet verdwenen zijn voordat ik ze begon te onderzoeken!” Tegenwoordig is de roep van de vroedmeesterpad in Brussel enkel nog in een aantal privétuinen te horen [Graitson et al., 2022: 52].

5. De metamorfose van de poelkikker (1975)

15Het verhaal van de kleine groene kikker die bekendstaat als de poelkikker (Pelophylax lessonae) is er een van vele onzekerheden. De Wavrin zag hem voor het laatst in 1975 in de valleien van de Vuilbeek en de Verdronken Kinderen, in het Zoniënwoud. Maar ging het wel echt om de poelkikker? De auteurs van de latere atlassen hadden daar hun bedenkingen bij. Toch schreef de Wavrin [1988: 138]: “De groene kikkers in deze valleien verbleven buiten de voortplantingsperiode nauwelijks aan de waterkant, wat doet vermoeden dat het om Rana lessonae ging.” Hij wist dat groene kikkers het grootste deel van de tijd in het water leven – de grootste dieren overwinteren er zelfs – en zich graag opwarmen op de oever of op drijvende waterplanten. Alleen de poelkikker trekt weg van de vijver om een overwinteringsplaats te zoeken, wat erop wijst dat deze soort aanwezig was in deze valleien. Daarnaast kwamen groene kikkers in de jaren 1960 ook voor op het Vorsterijplateau (Watermaal-Bosvoorde) en tot de jaren 1950 in de vijvers van het Rood Klooster, waar de voorjaarskoren van de mannetjes zelfs vermeld werden in toeristische gidsen [de Wavrin, 1988: 138]. Maar waren het wel echt poelkikkers? Alleen een verspreidingskaart op Belgisch niveau kan dat bevestigen [Parent, 1997: 269-270]. Daaruit blijkt dat deze kikkersoort in het zuidoosten van Brussel voorkwam en dat de kolonies één voor één verdwenen tussen de jaren 1960 en 1980. Volgens de Wavrin [1988: 139] droeg de achteruitgang van de vijvers rechtstreeks bij aan de verdwijning van de poelkikker, onder andere door de uitzet van karpers voor de hengelsport, waardoor de water- en oevervegetatie aangetast werd, en door het intensieve gebruik van de oevers door recreanten. Daarnaast wijst hij echter op een ander proces, dat zich veel moeilijker op het terrein laat vaststellen, maar dat de verdwijning van poelkikkers – of misschien beter gezegd hun metamorfose – wellicht versneld heeft.

  • 13 De industriële invoer van kikkerbillen in Europa, waarbij ook levende kikkers geïmporteerd worden e (...)
  • 14 Deze hypothese is weinig onderbouwd: ze werd in 1950 geformuleerd door August Thienemann [Fonte et (...)

16Om dat te begrijpen, moeten we onze aandacht verruimen naar een andere groene kikker, namelijk de meerkikker (Pelophylax ridibundus). Die is soms bijna twee keer zo groot als de poelkikker en valt op door zijn kakelende roep. Deze kikkersoort komt oorspronkelijk uit Centraal- en Oost-Europa. Vanaf de jaren 1950 werden meerkikkers in West-Europa geïmporteerd voor de gastronomie en voor gebruik in laboratoria, waar ze ook gekweekt werden [Perrot, 2017: 38]13. Het is niet bekend of de dieren ontsnapten of vrijgelaten werden, maar al snel werden ze aangetroffen in de grote Franse stroomgebieden. In Wallonië werden ze bovendien verkocht door kwekers van waterplanten als sierdier voor tuinvijvers. Van daaruit verschenen ze in de stroomgebieden van de Zenne en de Dijle [Percsy en Percsy, 2013: 250]. De meerkikker is een ferale soort: de verspreiding ervan is een onbedoeld gevolg van menselijke activiteiten en infrastructuren. Via moeilijk te beheersen kettingreacties veranderen dergelijke ferale soorten ecosystemen en dragen ze bij aan de vorming van een meer-dan-menselijk Antropoceen [Tsing et al., 2025]. In Brussel werd de meerkikker voor het eerst waargenomen in 1968 door een naturalist, in de omgeving van het Woluwepark [Parent, 1974: 101]. In 1992 werd de soort aangetroffen in het moeras van Jette en tien jaar later al op zeventien locaties, van het noorden van de stad (het park van Laken en de natte gebieden bij het Laarbeekbos), over het westen (Wilder en het Moeraske) tot het zuiden (Woluwepark, Hertoginnedal, het Reigerbospark in Watermaal-Bosvoorde en een tuin in Ukkel) [Weiserbs en Jacob, 2005: 83]. Bij de verkenningen voor de meest recente atlas bleek de soort zich verder uitgebreid te hebben naar Neder-Over-Heembeek, het zuidoosten (Rood Klooster en Massarttuin), Anderlecht (Neerpede), Vorst en zelfs enkele locaties in het stadscentrum, Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node (Josaphatpark, Kruidtuin en Marie-Louisesquare) [Graitson et al., 2022: 68]. Hoe de dieren zulke afstanden konden afleggen zonder door mensen verplaatst te worden, blijft moeilijk te verklaren, tenzij hun eiklompen zich aan de veren of poten van watervogels gehecht hebben14. Zeker is wel dat de meerkikker zich kan vestigen in zeer uiteenlopende en zelfs weinig kwaliteitsvolle waterpartijen, zoals de bekkens van waterzuiveringsinstallaties, plassen en vervuilde beken [Graitson et al., 2022: 69].

17Meerkikkers concurreren niet alleen met poelkikkers om ruimte en voedsel, maar dragen ook bij tot de verdwijning van de soort door hybridogenese. Dat ontdekte de Poolse zoöloog Leszek Berger in de jaren 1960: beide soorten kunnen paren, maar uit hun kruising ontstaat een derde soort, namelijk de bastaardkikker (Pelophylax esculentus), die qua grootte tussen beide soorten in zit en enkel het genetische erfgoed van de meerkikker behoudt [Perrot, 2017: 37]. Wanneer een bastaardkikker dus op zijn beurt paart met een poelkikker, brengen zij uitsluitend bastaardkikkers voort. Met andere woorden, parallel met de achteruitgang van de vijvers zijn de poelkikkers in Brussel hoogstwaarschijnlijk verdwenen door opeenvolgende metamorfosen over generaties heen. Over de bastaardkikkers die uit hun nakomelingen voortkwamen, is er vandaag weinig bekend, terwijl de meerkikker er algemeen voorkomt.

6. De kamsalamander: beschaduwing en demping (1987)

  • 15 Deze reconstructie is gebaseerd op het artikel van de Wavrin [1988] en op een in memoriam naar aanl (...)

18In de lente van 1987 staat Hellin de Wavrin in het donker, tussen het gebladerte, met zijn lieslaarzen in een poel. Hij laat zijn schepnet in het water zakken en speurt de bodem af bij het licht van zijn hoofdlamp15. Op dat moment is hij al vier jaar op zoek naar de kamsalamander (Triturus cristatus) in de waterpartijen van het Zoniënwoud, die hij al meer dan twintig jaar bezoekt (Figuur 5). Er is dan nog maar één kolonie overgebleven, in een poel in de vallei van de Kleine Flossendelle in Tervuren, op minder dan een kilometer van Brussel. De soort is daar al sinds minstens de jaren 1930 bekend. Kamsalamanders zijn echter moeilijk waar te nemen: de mannetjes, herkenbaar aan hun hoge rugkam, blijven meestal diep in het water. Alleen de vrouwtjes keren terug naar de oever om hun eitjes af te zetten tussen de waterplanten. Ondertussen is de poel steeds schaduwrijker geworden doordat de beuken errond uitgegroeid zijn en een dik tapijt van afgevallen bladeren achterlaten. Daardoor is de poel minder geschikt geworden voor deze salamanders, die hogere eisen stellen dan hun verwante soorten. Toch begrijpt de Wavrin niet waarom geen enkel dier zich gevestigd heeft in een andere poel, nauwelijks honderd meter verderop, die volop in de zon ligt en omgeven is door moerasvegetatie. “Het voortbestaan van deze kolonie is van groot belang”, zo schrijft hij, “want zij vormt een van de laatste – of zelfs de allerlaatste – getuigen van een populatie die vroeger wijdverspreid was in de streek” [1988: 121]. En terecht, want de poelen waarin de kamsalamander leefde, werden één na één gedempt: in de jaren 1960 die langs de Tambourdreef in Watermaal-Bosvoorde en een andere in een weide in Ukkel. De Wavrin vermeldt niet waarom die poelen gedempt werden. Sindsdien is de kamsalamander niet meer opgedoken in Brussel. Doordat de Ring en de E411 de vallei van de Kleine Flossendelle scheiden van de Brusselse poelen, die bovendien te klein, te schaduwrijk en te rijk aan vissen zijn, kon de soort niet terugkeren naar dit gebied [Weiserbs en Jacob, 2005: 72].

Figuur 5. Foto van een mannelijke kamsalamander, gemaakt door H. de Wavrin in Wodecq (Henegouwen)

Figuur 5. Foto van een mannelijke kamsalamander, gemaakt door H. de Wavrin in Wodecq (Henegouwen)

Deze foto werd gepubliceerd in het artikel van de Wavrin over de amfibieën van het Zoniënwoud.

Bron: [de Wavrin, 1988: 120]. Reproductie met toestemming van het tijdschrift Les Naturalistes Belges

7. Zij die nog overblijven

19Waarom het verhaal van de uitsterving van dieren vertellen vanuit de Brusselse context? Waarom deze verhalen reconstrueren in plaats van – zoals dat gebruikelijk is in zowel de dagelijkse als de wetenschappelijke taal – eenvoudigweg te zeggen dat deze amfibieën uit onze stad verdwenen zijn door de aantasting, het verlies of de versnippering van hun leefgebied? Waarom ons niet beperken tot deze abstracte begrippen, die voor de meeste soorten en hun verdwenen leefgebieden lijken op te gaan?

20Deze verhalen maken vooral duidelijk hoe nauw uitsterven verbonden is met een territorium. Ze vestigen de aandacht op heel concrete kwesties: bouwplaatsen, parken en de manier waarop die gebruikt worden, de inrichting van waterpartijen en de verbindingen ertussen, het beheer van vegetatie en de impact van ferale soorten. Tegelijk dwingen ze ons na te denken over onze mogelijkheden om samen te leven met andere levende wezens. Dat vraagt geen eenmalige oplossing, maar een voortdurende verfijning op basis van terreinwaarnemingen. Dergelijke inzichten zijn meestal afkomstig van zeer lokale kennis, opgebouwd op microlokaal niveau door jarenlang vrijwillig veldwerk. Volgens de naturalisten die ik vandaag spreek, wordt die terreinkennis echter vaak ondergewaardeerd tegenover de expertise van milieuadviesbureaus die ruimtelijke projecten adviseren, maar niet over deze fijnmazige kennis van de lokale context beschikken.

  • 16 De eerste acties om amfibieën tijdens hun trek te redden, begonnen in de jaren 1980, met de opricht (...)

21Vandaag zijn kikkers, padden en watersalamanders in Brussel het gemakkelijkst waar te nemen tussen februari en april, wanneer ze naar hun voortplantingsplaatsen trekken. Buurtbewoners helpen de dieren dan de weg over te steken, die anders voor velen fataal zou zijn. Dat gebeurt langs de rand van het Zoniënwoud, in de vallei van de Geleytsbeek in Ukkel en die van de Tweebeek in Neder-Over-Heembeek, en rond het Woluwepark en het Vogelzangpark in Anderlecht16. De meest frappante vaststelling die de buurtbewoners die jaar na jaar naar deze plaatsen terugkeren me vertellen, is dat er steeds minder amfibieën oversteken. Deze dieren komen ook voor in beschermde en beheerde moerasgebieden, zoals die van Jette en Ganshoren, het Broek in Ukkel, het Moeraske in Evere en Hof ter Musschen in Sint-Lambrechts-Woluwe. Ook daar zeggen de buurtbewoners en vrijwillige beheerders hetzelfde: de voorjaarsconcerten die vroeger te horen waren, zijn herleid tot een zacht gemurmel. Inwoners die zich inzetten voor het behoud van bedreigde moerasgebieden, zoals het moeras Wiels en het Bemptpark in Vorst of Biestebroek in Anderlecht, treffen er eveneens amfibieën aan. Hun acties maken duidelijk hoe belangrijk deze natte gebieden zijn in tijden van klimaatontwrichting: ze vangen overstromingen op en vormen koelte-eilanden in dichtbebouwde en dichtbevolkte wijken. De planten die er groeien, helpen het water zuiveren en op langere termijn zelfs vervuilde locaties saneren [Bastin, 2025: 8]. In de context van de huidige massale uitsterving krijgen de verhalen over het verdwijnen van de rugstreeppad, de boomkikker, de vroedmeesterpad, de poelkikker en de kamsalamander extra betekenis voor deze natte gebieden in Brussel. Ze maken duidelijk dat de amfibieën die vandaag nog waargenomen en ondersteund worden niet zomaar de soorten zijn die er nog voorkomen, maar de soorten die nog overblijven. Zonder te vervallen in nostalgie naar een authentieker verleden, tonen deze verhalen dat hun aantallen blijven afnemen tegen de achtergrond van deze verdwijningen. Met andere woorden, de amfibieën en hun leefgebieden die vandaag nog in Brussel te vinden zijn, zijn niet gewoon belangrijk vanwege hun huidige aanwezigheid en kwetsbaarheid, en nog minder enkel als onderdeel van de “biodiversiteit” – een begrip dat hun verhalen onzichtbaar maakt –, maar omdat ze de levende wezens zijn die voortbestaan in een landschap dat al lange tijd getekend wordt door grootschalige verliezen, waarvan het einde nog niet in zicht is.

  • 17 Zie Hache [2024] over deze manier om opnieuw aards te worden, en Solnit [2016] over het potentieel (...)
  • 18 Merk op dat het eerste verhaal, dat steunt op officiële archieven over één enkele locatie, meer det (...)

22In die zin dragen deze verhalen over uitsterven bij aan een stedelijke politieke ecologie die vergeten verhalen opnieuw zichtbaar maakt. We weten er vaak maar weinig over, maar ze veranderen wel onze manier van kijken. Door opnieuw aandacht te geven aan vergeten levende wezens en aan de kwetsbaarheden die zij in herinnering brengen, helpen deze verhalen ons beter te begrijpen wat er met ons leefgebied gebeurt en openen ze nieuwe manieren om ons ermee te verbinden17. Dat maakt het noodzakelijk om ook weinig bekende verhalen te reconstrueren, hoe beperkt de beschikbare bronnen ook zijn. Dit botst echter met een onderzoekscultuur waarin projecten doorgaans afgebakend worden op basis van voldoende omvangrijke corpora die hun haalbaarheid moeten garanderen. Daardoor blijven onderzoeksterreinen waarvoor die garantie ontbreekt vaak buiten beeld. Toch is er soms geen andere mogelijkheid om de ervaring van dergelijke verliezen en hun betekenis te benaderen dan te vertrekken van een klein corpus – in dit geval enkele publicaties van twee ervaren naturalisten die deze verdwijningen gedurende tientallen jaren gedocumenteerd hebben – en dat aan te vullen met documenten die een stukje van de puzzel kunnen aanreiken. Dat vereist dat de onderzoeker zich begeeft aan de grenzen van wat nog kenbaar is, daar de eerste sporen oppikt en uiteenlopende kennisbronnen met elkaar verbindt, zonder dat de reconstructie haar wetenschappelijke nauwkeurigheid verliest18.

23Want ook de geschiedenis van de stad wordt gevormd door de specifieke verliezen van deze levende wezens, door hun soms nog altijd onvoldoende begrepen verbondenheid met hun leefomgeving, door hun wereld en in het bijzonder hun klankwereld, en door de mogelijkheden om ermee samen te leven. Als men over vijftig jaar zal vertellen over de amfibieën die vandaag nog voorkomen – of het nu gaat om hun voortbestaan of hun uitsterving – zal de kennis erover, zowel de lokale als de wetenschappelijk onderbouwde, ongetwijfeld rijker en toegankelijker zijn dan die uit het verleden. Maar die kennis zal deel moeten uitmaken van een breder verhaal, voortbouwend op de sobere, bescheiden en bijna vergeten verhalen van de dieren die ooit leven brachten op plaatsen waar nu stilte heerst.

Voor hun bijdrage aan dit onderzoek bedank ik Yves Barette, Anne Devillers en het tijdschrift Les Naturalistes Belges, Alain Paquet, Olivier Pauwels, Christiane Perscy, Didier Rabosée, Guy Rotsaert, Marie-Louise Van den Wyngearts, het Archief van de Stad Brussel, het archief van de ULB en het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Voor het nalezen van dit artikel bedank ik Bernadette Smeesters, Benedikte Zitouni, het redactieteam en de reviewers.

Haut de page

Bibliographie

ALTHERR, Sandra, AULIYA, Mark en NITHART, Charlotte, 2022. Deadly Dish – Role and responsibility of the European Union in the international frogs’ legs trade. Munich, Paris: Pro Wildlife en Robin des Bois.

BASTIN, Michel, 2025. La voix des marais. In: D’HAENENS, Stéphanie (dir.), 2025. Bruxelles en Mouvements. Les pieds dans l’eau. 11-12/2025. Nr. 339, pp. 7-8. Beschikbaar op: https://www.ieb.be/IMG/pdf/bem_339_marais_2025_11_09_web.pdf

BLANC, Guillaume, 2020. L’invention du colonialisme vert. Pour en finir avec le mythe de l’éden africain. Parijs: Flammarion.

BOULENGER, Georges-Albert, 1897. The Tailless Batracians of Europe (vol. 1). Londen: Ray Society.

BOULENGER, Georges-Albert,1922a. Quelques indications sur la distribution en Belgique des batraciens et reptiles. In: Les Naturalistes Belges. 1922. Vol. 3, nr. 4, pp. 52-53.

BOULENGER, Georges-Albert, 1922b. Quelques indications sur la distribution en Belgique des batraciens et reptiles. In: Les Naturalistes Belges. 1922. Vol. 3, nr. 5, pp. 71-77.

CAHN, Livia, DELIGNE, Chloé, PONS-ROTBARDT, Noémie, PRIGNOT, Nicolas, ZIMMER Alexis en ZITOUNI, Benedikte, 2018. Terres des villes. Enquêtes potagères de Bruxelles aux premières saisons du 21e siècle. Parijs: Éditions de l’éclat.

CRONON, William, 1991. Nature’s Metropolis: Chicago and the Great West. New York, Londen: Norton & Company.

CRUTZEN, Bernard, 2013. Bruxelles sauvage, faune capitale. [Documentairefilm]. Brussel: Zistoires.

D’HAENENS, Stéphanie (dir.), 2025. Bruxelles en Mouvements. Les pieds dans l’eau. 11-12/2025. Nr. 339. Beschikbaar op: https://www.ieb.be/IMG/pdf/bem_339_marais_2025_11_09_web.pdf

D’HOOP, Ariane en GRANDJEAN, Nathalie, 2025. Une histoire de la traite esclavagiste : dramatiser la perte, fabuler les vies perdues. In: Les Temps qui restent. 26/08/2025. Vol. 5, nr. 1, pp. 441-452. Beschikbaar op: https://shs.cairn.info/revue-les-temps-qui-restent-2025-1-page-441?lang=fr

DE WAVRIN, Hellin, 1978. L’Alyte accoucheur – Alytes o. obstetricans (Laur.) en Moyenne-Belgique. In: Les Naturalistes Belges. 06-07/1978. Vol. 59, nr. 6-7, pp. 159-176. Beschikbaar op: https://naturalistesbelges.be/wp-content/uploads/2023/03/Natbelges-59-1978-6-7.pdf

DE WAVRIN, Hellin, 1988. Les batraciens de la forêt de soignes. In: Les Naturalistes Belges. 05-06/1988. Vol. 69, nr. 3, pp. 113-144. Beschikbaar op: https://naturalistesbelges.be/wp-content/uploads/2022/12/Natbelges-69-1988-3.pdf

DE WAVRIN, Hellin en GRAITSON, Eric, 2007. L’Alyte accoucheur, Alytes obstetricans Laurenti, 1768. In: JACOB, Jean-Paul, PERCSY, Christiane, DE WAVRIN, Hellin, GRAITSON, Eric, KINET, Thierry, DENOËL, Mathieu, PAQUAY, Marc, PERCSY, Nicolas en REMACLE, Annie, Amphibiens et reptiles de Wallonie. Namen: Aves – Raînne en Centre de recherche de la Nature des Forêts et du Bois, pp. 104-115. Beschikbaar op: https://www.lacerta.de/AF/Bibliografie/BIB_11357.pdf

DE WITTE, Gaston-François, 1948. Faune de Belgique. Amphibiens et reptiles. 2e editie. Brussel: Patrimoine du musée royal d’histoire naturelle de Belgique.

DELIGNE, Chloé, 2003. Bruxelles et sa rivière. Genèse d’un territoire urbain (12e - 18e siècle). Turnhout: Brepols.

DUBOIS, Alphonse, 1873. Histoire populaire des animaux utiles de la Belgique. Brussel: A. Mertens.

DUQUENNE, Xavier, 1989. Le bois de la Cambre. Brussel: Xaviers Duquenne, uitgever.

FONTE, Luis Fernando, MAYER, Michael en LÖTTERS, Stefan, 2019. Long-distance dispersal in amphibians. In: Frontiers of Biogeography. 04/2019. Nr. 11, pp. 1-14.

GARLICK, Ben en SYMONS, Kate, 2020. Geographies of Extinction: Exploring the Spatiotemporal Relations of Species Death. In: Environmental Humanities. 1/05/2020. Vol. 12, nr. 1, pp. 296-320. Beschikbaar op: https://read.dukeupress.edu/environmental-humanities/article/12/1/296/165249/Geographies-of-ExtinctionExploring-the

GRAITSON, Eric en DENOËL, Mathieu, 2007. Le crapaud calamite. Bufo calamita Laurenti, 1768. In: JACOB, Jean-Paul, PERCSY, Christiane, DE WAVRIN, Hellin, GRAITSON, Eric, KINET, Thierry, DENOËL, Mathieu, PAQUAY, Marc, PERCSY, Nicolas en REMACLE, Annie, Amphibiens et reptiles de Wallonie. Namen: Aves – Raînne en Centre de recherche de la Nature des Forêts et du Bois, pp. 142-151. Beschikbaar op: https://www.lacerta.de/AF/Bibliografie/BIB_11357.pdf

GRAITSON, Eric, PAQUET, Alain en VERBELEN, Dominique, 2022. Atlas van de amfibieën en reptielen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Brussel: Natagora, Natuurpunt en Leefmilieu Brussel.

GUIDÉE, Raphaëlle, 2021. Toutes les vies perdues, une à une. In: Cahiers de recherche sociologique, 2021. Nr. 70, pp. 175-91. Beschikbaar op: https://www.erudit.org/fr/revues/crs/2021-n70-crs07783/1097422ar/

HACHE, Émilie, 2024. De la génération. Enquête sur sa disparition et son remplacement par la production. Parijs: La Decouverte.

HARTMAN, Saidiya, 2023 [2008]. Venus in Two Acts. In: À perte de mère – Sur les routes atlantiques de l’esclavage. Vertaald door Émilie NOTÉRIS. Dijon: Brook/Les Presses du Réel.

KEMP, Thomas Stainforth, 2021. Amphibians: A Very Short Introduction. Oxford: Oxford University Press.

KOLBERT, Elizabeth, 2015 [2014]. La sixième extinction. Comment l’homme détruit la vie. Vertaald door Marcel BLANC. Parijs: Éditions Vuibert.

LEBLICQ, Yvon, 1983. Les transformations du paysage urbain. In: STENGERS, Jean en SMOLAR-MEYNART, Arlette, (dir.) La Région de Bruxelles. Des villages d’autrefois à la ville d’aujourd’hui. Brussel: Crédit Communal, pp. 256-278.

LEEFMILIEU BRUSSEL, 2021. Welke insecten en ongewervelde dieren kan je zien in Brussel? In: leefmilieu.brussels. 27/07/2021. [Geraadpleegd op 24/03/2026] Beschikbaar op: https://leefmilieu.brussels/burgers/actie-voor-het-leefmilieu/de-natuur-de-stad-ontdekken/welke-insecten-en-ongewervelde-dieren-kan-je-zien-brussel

MAZIERS, Michel, 1994. Histoire d’une forêt périurbaine. Soignes 1822-1843 sous la coupe de la Société générale. Brussel: Éditions de l’Université de Bruxelles.

PARENT, Georges Henri, 1974. Mise au point sur l’herpétofaune de la Belgique, du Grand-duché de Luxembourg et des territoires adjacents. In: Bulletin de la Société des Naturalistes Luxembourgeois. 1974. Vol. 79, pp. 79-131. Beschikbaar op: https://www.snl.lu/publications-wp/publications-pdf/?publ=bulletin&modus=articles&issue=79

PARENT, Georges Henri, 1997. Chronique de la régression des Batraciens et des Reptiles en Belgique et au Grand-Duché de Luxembourg au cours du 20eme siècle. In: Les Naturalistes belges. 10-12/1997. Vol. 78, nr. 4, pp. 257-304. Beschikbaar op: https://naturalistesbelges.be/wp-content/uploads/2022/12/Natbelges-78-1997-4.pdf

PERCSY, Christiane, 1998. Amphibiens et reptiles en Région de Bruxelles-Capitale, bilan de six années de suivi. In: IBGE, Document de travail de l’IRSNB. Qualité de l’Environnement et biodiversité en Région de Bruxelles-Capitale, inventaire et suivi de la flore et de la faune. 15/10/1998. Nr. 93, pp. 101-116.

PERCSY, Christiane en PERCSY, Nicolas, 2013. Identification des grenouilles « vertes » Pelophylax spp (Anura, Ranidae) en Wallonie (Belgique) : confrontation de critères morphologiques et acoustiques avec des analyses enzymatiques et d’ADNmt. In: Bulletin de la Société herpétologique de France. Vol. 147, pp. 249-278. Beschikbaar op: https://lashf.org/ressources/bshf-147/

PERROT, Julien, 2017. Casse-tête chez les vertes. In: La Salamandre. Le silence des grenouilles. 02-03/2017. Nr. 238, pp. 34-39.

PIERRON, Sander, 1973 [1935-8]. Histoire de la forêt de Soignes illustrée. Brussel: Éditions Culture et Civilisation.

PONS-ROTBARDT, Noémie en DELIGNE, Chloé, 2021. Le Parc de la Sauvagère. Étude historique préalable au réaménagement. Brussel: ULB en Leefmilieu Brussel.

RABOSÉE, Didier, 2016. In memoriam. Hellin de Wavrin (1946 – 2016). In: Aves. 06/2026. Vol. 53, nr. 2, pp. 102-103. Beschikbaar op: https://revue.aves.be/revue

ROSE, Deborah Bird, VAN DOOREN, Thom en CHRULEW, Matthew (dir.), 2017. Extinction Studies: Stories of Time, Death and Generations. New York: Columbia University Press.

SEMAL, Luc, 2013. Petite histoire d’une grande extinction. In: SEMAL, Luc en FOURIÉ, Yannick, Bestiaire disparu. Histoire de la dernière grand extinction. Toulouse: Plume de carotte, pp. 7-11.

SOLNIT, Rebecca, 2016. Hope in the Dark: Untold Histories, Wild Possibilities. Chicago: Haymarket Books.

STOETZER, Bettina, 2022. Ruderal City: Ecologies of Migration, Race, and Urban Nature in Berlin. Durham en Londen: Duke University Press.

TSING, Anna, 2020. Friction. Délires et faux-semblants de la globalité. Vertaald door Philippe PIGNARRE en Isabelle STENGERS. Parijs: La Découverte.

TSING, Anna Lowenhaupt, DEGER, Jennifer, KELEMAN SAXENA, Alder en ZHOU, Feifei, 2025 [2021]. Introduction. Les vies plus qu’humaines face aux infrastructures. In: TSING, Anna Lowenhaupt, DEGER, Jennifer, KELEMAN SAXENA, Alder en ZHOU, Feifei (dir.), Atlas Féral. Histoires vraies et proliférantes de résistances aux infrastructures humaines. Vertaald door Marin SCHAFFNER. Marseille: Éditions Wildproject.

VAN DOOREN, Thom, 2014. Flight Ways. Life and Loss at the Edge of Extinction. New York: Columbia University Press.

VERNIERS, Louis, 1949. Histoire de Forest lez Bruxelles, Brussel: A. De Boeck.

WEISERBS, Anne en JACOB, Jean-Paul, 2005. Amfibieën en Reptielen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Brussel: Aves en Brussels Instituut voor Milieubeheer.

Haut de page

Notes

1 Voor een kritisch overzicht van deze situaties, zie D’Haenens [2025].

2 Uit de almanakken blijkt dat de Kikkerstraat in Molenbeek omgedoopt werd tot de Ganshorenstraat in 1873, de Paddenstraat in Schaarbeek tot de Teniersstraat in 1905 en de gelijknamige straat in Laken tot de Gustave Demanetstraat in 1914. Op het plan van Jacowick (1812, Archief van de Stad Brussel) staat in Molenbeek nog een Kikkerzangstraat vermeld, terwijl die op het plan van Popp (1866, Archief van de Stad Brussel) vervangen is door de Groene Hondstraat. In Vorst bestond in de negentiende eeuw de plaatsnaam Vorschenzang [Verniers, 1949]. Omgekeerd blijkt uit de almanakken dat in 1953 in de tuinwijk Floréal in Bosvoorde een Zeegodenlaan aangelegd werd. Zie: ARCHIVES DE BRUXELLES. Almanachs [online]. [Geraadpleegd op 30/03/2026] Beschikbaar op: https://archives.bruxelles.be/almanachs; JACOWICK, G., 1812. Plan routier de la Ville de Bruxelles et ses environs à l'usage des habitants et des étrangers. In: Archives de la Ville de Bruxelles, Plan de Bruxelles no 39a.; POPP, P.C., 1866. Commune de Molenbeek-Saint-Jean. Plan du développement de l'aggloméré. Atlas cadastral de Belgique. Province de Brabant. Arrondissement de Bruxelles, canton de Molenbeek-Saint-Jean. In: Archives de la Ville de Bruxelles, Plan de Bruxelles no 81.

3 Deze tendens komt ook tot uiting in de communicatie van de overheid en in de film van Crutzen [2013], die de verbazing voeden over het grote aantal zogenaamd wilde dieren in de stad.

4 Deze benadering doorbreekt de aanname dat de uitsterving van diersoorten een mondiaal fenomeen is dat ver van ons af gebeurt. Het wordt als mondiaal beschouwd, omdat biodiversiteit sinds de jaren 1980, met de opkomst van de conservatiebiologie, een kernbegrip geworden is binnen het milieudenken [Tsing, 2020: 257-259]. Daardoor gaat de aandacht vooral naar de laatste dieren van een soort: het heeft geen belang dat een soort lokaal verdwenen is, als ze elders nog voorkomt. Veel bekende verhalen over het uitsterven van diersoorten spelen zich dan ook af op verre plaatsen (zoals in het werk van Elizabeth Kolbert, die de lezer meeneemt naar grotten, het Amazonewoud, de flanken van de Andes, de diepzee en de uithoeken van dierentuinen [Kolbert, 2015]. Daaruit volgt dat natuurbehoudsprogramma’s vaak koloniale vormen van geweld in stand houden, bijvoorbeeld wanneer ze de criminalisering en verdrijving van lokale gemeenschappen legitimeren [Blanc, 2020].

5 Dit onderzoeksproject vertrekt vanuit de behoefte om opnieuw betekenis te geven aan levende wezens die verdwenen en vervolgens vergeten zijn. Het wil bijdragen aan een toekomst waarin hun bestaan niet meer zo gemakkelijk genegeerd wordt. Het is gebaseerd op het concept van “kritische fabulatie” van Saidiya Hartman [2023] en op het potentieel daarvan voor de politieke ecologie, omdat het uitnodigt om aandacht te schenken aan het verlies van levens, leefgebieden en de sporen die daarvan overgebleven zijn [d’Hoop en Grandjean, 2025].

6 Tussen 1822 en 1842 kromp het Zoniënwoud aanzienlijk toen de Société Générale het bos- en grondbezit omzette in financieel kapitaal en dat investeerde in de industrie. Daardoor kwam er ruimte vrij voor landbouwgrond en bouwgrond [Maziers, 1994: 119-124].

7 In 1865 en 1866 voerden hevige regenbuien grote hoeveelheden water af naar het gehucht Boondaal. In 1882 bleef water staan in een grote kuil vlak bij de ingang van de Louizalaan. Dat blijkt uit de verslagen en brieven van Édouard Keilig, de landschapsarchitect van het park, in het Archief van de Stad Brussel.
KEILIG, E., 1864-1883. Divers rapports et courriers. In: Archives de la Ville de Bruxelles, Fonds Travaux Publics et urbanisme, “Service technique des travaux public”, division : bâtisse, “Bois de la Cambre. Aménagement”, dossiers nr. 26914, nr. 26915 et nr. 26919.

8 Duquenne [1989: 82] en de vragen van Keilig voor deze werken.
KEILIG, E., 1864-1883. Divers rapports et courriers. In: Archives de la Ville de Bruxelles, Fonds Travaux Publics et urbanisme, “Service technique des travaux public”, division : bâtisse, “Bois de la Cambre. Aménagement”, dossier nr. 26914.

9 Zijn portret is gebaseerd op interviews met twee mensen uit zijn naaste omgeving.

10 Op basis van een vergelijking van de luchtfoto's van het gebied, beschikbaar op de website van Bruciel, uit 1961, 1977 en 1987.
URBAN.BRUSSELS. Bruciel [online]. [Geraadpleegd op 03/07/2025] Beschikbaar op https://bruciel.brussels.

11 Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden in de omgeving van Ukkel vroedmeesterpadden waargenomen [de Witte, 1948: 113]. Op de kaart die Dubois in 1857 publiceerde, zijn de vroegere vijvers van Sint-Job nog te zien. De grootste werd rond 1920 gedempt in het kader van de verbreding van de Sint-Jobsesteenweg.
DUBOIS, F., 1857. Carte des environs de Bruxelles pour les promeneurs à pied, à cheval et en voiture : avec les renseignements utiles à ces promeneurs, gegraveerd door J.B. Blasseau en P.J. Doms, Établissement géographique de Bruxelles.

12 Aangezien Brussel aan de noordgrens van het verspreidingsgebied van de vroedmeesterpad ligt, is de soort er gevoelig voor beschaduwing [Percsy, 2000: 22].

13 De industriële invoer van kikkerbillen in Europa, waarbij ook levende kikkers geïmporteerd worden en waarvan 70 % via België binnenkomt, blijft vragen oproepen. Zie [Altherr et al., 2022: 4].

14 Deze hypothese is weinig onderbouwd: ze werd in 1950 geformuleerd door August Thienemann [Fonte et al., 2019: 3], maar lijkt nooit breed aanvaard te zijn door wetenschappers. Om de relevantie van deze hypothese te beoordelen, zou de evolutie van de theorie en de context ervan grondiger onderzocht moeten worden.

15 Deze reconstructie is gebaseerd op het artikel van de Wavrin [1988] en op een in memoriam naar aanleiding van zijn overlijden [Rabosée, 2016].

16 De eerste acties om amfibieën tijdens hun trek te redden, begonnen in de jaren 1980, met de oprichting van de vereniging Raînne. Inmiddels worden deze acties gecoördineerd door Natagora. Nog altijd zijn er op het Brusselse wegennet trekplaatsen waar geen reddingsacties plaatsvinden en waar de sterfte onder amfibieën dus hoog blijft, zoals aan de Lorrainedreef. Omdat deze locaties minder zichtbaar zijn en minder deel uitmaken van het stedelijke weefsel, is het moeilijk om er vrijwilligers voor te mobiliseren.

17 Zie Hache [2024] over deze manier om opnieuw aards te worden, en Solnit [2016] over het potentieel van een onderbelichte geschiedenis wanneer die weer bovenkomt. Binnen de stadsstudies sluit deze poging om verleden en heden opnieuw met elkaar te verbinden zowel aan bij de milieugeschiedenis, zoals in de invloedrijke studie van Cronon [1991], als bij hedendaags etnografisch onderzoek, bijvoorbeeld Cahn et al. [2018] over moestuinpraktijken en Stoetzer [2022] over de ecologieën die in de ruïnes ontstaan.

18 Merk op dat het eerste verhaal, dat steunt op officiële archieven over één enkele locatie, meer details over de betrokken plaatsen oplevert dan de vier andere verhalen. Die hebben betrekking op meerdere locaties, waarvan de ligging en de periode van verandering vaak onnauwkeurig zijn.

Haut de page

Table des illustrations

Titre Figuur 1. Het koppeltje rugstreeppadden dat G. Boulenger in 1876 verzamelde en overbracht naar het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen
Légende Door de bewaring van deze exemplaren in alcohol en de blootstelling aan licht is hun huid verbleekt.
Crédits Bron: foto gemaakt door de auteur, 3 maart 2025
URL http://journals.openedition.org/brussels/docannexe/image/9584/img-1.png
Fichier image/png, 936k
Titre Figuur 2a. Ter Kamerenbos, uitsnede uit een kaart van Brussel, gepubliceerd in 1857 [Dubois].
URL http://journals.openedition.org/brussels/docannexe/image/9584/img-2.png
Fichier image/png, 1016k
Titre Figuur 2b. Ter Kamerenbos, uitsnede uit een kaart van Brussel, gepubliceerd in 1900
Légende Deze kaarten laten zien hoe de omgeving van het Ter Kamerenbos in deze twee periodes verstedelijkte.
Crédits Bronnen: DUBOIS, F., 1857. Kaart van de omgeving van Brussel voor wandelaars, ruiters en automobilisten, met nuttige informatie voor deze gebruikers. Gegraveerd door J.B. Blasseau en P.J. Doms. Établissement géographique de Bruxelles, en KIESSLING & CIE (ed), 1900. Carte pittoresque des environs de Bruxelles. Brussel: Librairie Kiessling & Cie. Beschikbaar in de Koninklijke Bibliotheek van België, KBR
URL http://journals.openedition.org/brussels/docannexe/image/9584/img-3.png
Fichier image/png, 1,3M
Titre Figuur 3. Tekening van boomkikkers, gemaakt op basis van foto’s
Crédits Bron: illustratie gepubliceerd in de Witte [1948: 143]. Reproductie met toestemming van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen
URL http://journals.openedition.org/brussels/docannexe/image/9584/img-4.jpg
Fichier image/jpeg, 649k
Titre Figuur 4. Foto die H. de Wavrin maakte toen hij de laatste kolonie vroedmeesterpadden tussen de rotspartijen van het Sauvagèrepark vond
Crédits Bron: [de Wavrin, 1978: 162]. Reproductie met toestemming van het tijdschrift Les Naturalistes Belges
URL http://journals.openedition.org/brussels/docannexe/image/9584/img-5.png
Fichier image/png, 1,4M
Titre Figuur 5. Foto van een mannelijke kamsalamander, gemaakt door H. de Wavrin in Wodecq (Henegouwen)
Légende Deze foto werd gepubliceerd in het artikel van de Wavrin over de amfibieën van het Zoniënwoud.
Crédits Bron: [de Wavrin, 1988: 120]. Reproductie met toestemming van het tijdschrift Les Naturalistes Belges
URL http://journals.openedition.org/brussels/docannexe/image/9584/img-6.png
Fichier image/png, 1,2M
Haut de page

Pour citer cet article

Référence électronique

Ariane d’Hoop, « Verhalen over de verdwijning van amfibieën in Brussel »Brussels Studies [En ligne], Collection générale, document 219, mis en ligne le 26 août 2026, consulté le 11 septembre 2026. URL : http://journals.openedition.org/brussels/9584

Haut de page

Auteur

Ariane d’Hoop

Ariane d’Hoop is antropologe en verbonden aan het CESIR van de UCLouvain en het SEED van de ULiège. Ze is onderzoekster bij het Fonds de la Recherche Scientifique – FNRS. Haar huidige onderzoek focust op de manieren waarop amateur-naturalisten zich inzetten voor bedreigde diersoorten in Brussel (vogels en amfibieën) en op de problematieken die dat met zich meebrengt in een stedelijke context. Haar recente publicaties verschenen in de tijdschriften Humanimalia (2023), VertigO (2025) en Terrain (2025).

ariane.dhoop[at]uclouvain.be

Haut de page

Droits d’auteur

CC-BY-4.0

Le texte seul est utilisable sous licence CC BY 4.0. Les autres éléments (illustrations, fichiers annexes importés) sont susceptibles d’être soumis à des autorisations d’usage spécifiques.

Haut de page
Rechercher dans OpenEdition Search

Vous allez être redirigé vers OpenEdition Search