1Sinds het baanbrekende onderzoek van Lieven Saerens over de Jodenvervolging in België is sprake van ‘de Antwerpse specificiteit’. Volgens Saerens werd 65 tot 68 procent van de Antwerps-Joodse bevolking gedeporteerd. Deze cijfers liggen hoger dan het Belgische gemiddelde van 45 procent en gaan sterk in de richting van het Nederlandse deportatiecijfer van 75 procent. Waaruit bestaat de Antwerpse specificiteit en waarop zijn bovenstaande cijfers gebaseerd? Dit artikel kadert de bekende deportatiepercentages, licht de berekening ervan toe, schetst de beperkingen van de beschikbare bronnen, geeft een alternatieve berekening en duidt pistes aan voor verder onderzoek. De Antwerpse specificiteit komt zo in een nieuw daglicht te staan.
2Het berekenen van slachtofferaantallen onder het naziregime is een bijzonder moeilijke, haast onmogelijke taak. Er bestaat geen enkel officieel en compleet overzicht. Onderzoekers combineren daarom verschillende bronnen: bevolkingsregisters, lijsten van de bezetter, overheidsdocumenten, getuigenissen en archeologische bevindingen (USHMM, 2018). Deze bronnen variëren sterk tussen regio’s en landen op vlak van taal, en de werking van de diverse lokale en bezettende overheden. Daarnaast zijn er heel wat hiaten in de bronnen: stukken zijn vernietigd, niet raadpleegbaar of nooit aangemaakt, wat extrapoleren nodig maakt. De kwaliteit van dergelijke afgeleide berekeningen varieert en hun resultaten zijn voer voor interpretatie.
3In principe worden deportatiecijfers berekend op basis van het aantal Joden dat bij het uitbreken van de oorlog op een plek woonde. Nationale grenzen verschoven voor, tijdens en na 1940 echter herhaaldelijk, bijvoorbeeld in Polen. Ook in landen waarvan de grenzen niet veranderden, blijft de berekening moeilijk. Nederland hanteert bijvoorbeeld een slachtofferpercentage van 75 procent: 100.000 tot 106.000 vermoorde Joden op een Joodse bevolking van 140.000 in 1940 (Rosenberg; Anne Frank Stichting; Croes, 2006). Het Nederlandse Herinneringscentrum Kamp Westerbork identificeerde 107.000 weggevoerde Joden waarvan 5.000 overlevenden. Dit cijfer van 102.000 Holocaustdoden omvat echter niet de Nederlandse Joden die vluchtten en bijvoorbeeld vanuit België of Frankrijk gedeporteerd werden. Ook de Joden die tijdens de bezetting zelfmoord pleegden of een natuurlijke dood stierven vallen hierbuiten. Deze twee groepen worden echter wel herdacht op het online Joods Monument voor de Nederlandse Holocaustslachtoffers waardoor daar het slachtoffercijfer 104.000 voorkomt. Of deze groepen effectief bij de Holocaustslachtoffers horen is te bediscussiëren, maar de afwijkende telling creëert wel verschillen in slachtofferaantal en -percentages.
4Over de Belgische casus bestaat eveneens veel discussie. Online circuleren heel wat cijfers, al dan niet gebaseerd op gedegen onderzoek. De Jewish Virtual Library vermeldt bijvoorbeeld op basis van bronnen van de Anti-Defamation League 40.000 slachtoffers op een bevolking van 65.000 oftewel 61,53 procent (Jewish Virtual Library). Andere websites vermelden 25.000 slachtoffers op 65.000 Joden of 38,46 procent (Rosenberg). Het Belgisch Holocaustonderzoekscentrum Kazerne Dossin hanteert 45 procent zoals ook berekend door Saerens (Saerens, 2006, 211). Dit cijfer steunt op het aantal door de Duitse Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (Sipo-SD) in België geregistreerde Joden (55.670) en het aantal vanuit de Dossinkazerne in Mechelen gedeporteerde Joden (25.490).
5Die 45 procent is echter niet sluitend. Ten eerste is het aantal Joden in België voor en op het moment van de inval van Nazi-Duitsland in mei 1940 onbekend. Ten tweede verhuisden mensen zowel voor als tijdens de bezetting veel, al dan niet gedwongen. Ten derde woonden niet alle ‘Mechelse’ gedeporteerden vóór de bezetting in België – er zijn ook heel wat Nederlandse vluchtelingen bij – terwijl een deel van de Joden uit België tijdens de oorlog naar Frankrijk vluchtte en van daaruit gedeporteerd werd. Hoe kunnen we ondanks deze uitdagingen de Belgische cijfers en de lokale verschillen duiden?
6Er bestaan geen precieze cijfers over de omvang van de Joodse bevolking in België voor de oorlog. Behalve in de volkstellingen tot 1.846 werden en worden religie of etniciteit niet officieel geregistreerd. In tegenstelling tot andere Europese landen blijven alle Belgische cijfers dus schattingen (Vanden Daelen, 2009, 212 en 234). Dit verklaart de soms grote verschillen in de berekeningen en illustreert het belang van een expliciete uitleg over welke bronnen op welke wijze bij de berekening gebruikt zijn.
7Slechts twee bronnen – helaas elk onvolledig en beide aangelegd tijdens de oorlog – zijn bruikbaar om de omvang van de Joodse gemeenschap in België voor de Duitse inval in mei 1940 te schatten: het Jodenregister van eind 1940 enerzijds en de fiches van de Sipo-SD uit 1941 anderzijds.
8De Duitse verordening van 28 oktober 1940 verplichtte de Belgische gemeentes om al hun Joodse inwoners te registreren. Volgens de Tätigkeitsberichte van de Militärverwaltung werd voor 42.500 Joden ouder dan veertien jaar een formulier in dit gemeentelijk Jodenregister aangemaakt (Saerens, 2006, 199). Een onbekend aantal registreerde zich niet, bijvoorbeeld omdat ze dit niet wilden, omdat ze zich nog als vluchteling in het buitenland bevonden en pas later zouden terugkeren of om andere redenen. De Jodenregisters tonen de volgende spreiding: 22.500 personen in regio Antwerpen, 17.000 in regio Brussel en de overige verspreid over de rest van België met grotere gemeenschappen in Luik en Charleroi (Saerens, 2006, 200).
Toeschouwers bij de vernielde synagoge aan de Van den Nestlei tijdens de Antwerpse pogrom, 14 april 1941
© Kazerne Dossin – Fonds Van Oeteren / Van Hemeldonck
9Saerens extrapoleerde deze cijfers vervolgens om te komen tot een getal waarin ook de kinderen jonger dan 15 jaar – die niet apart in het Jodenregister staan ingeschreven – in rekening worden gebracht: “Wanneer we ervan uitgaan dat, net zoals bij de bevolkingstelling van 1938 [sic: 1939], de vreemdelingenpopulatie uit 23,56 % kinderen tot 15 jaar bestond en dit extrapoleren via het cijfer 42.500, komen we op een globaal cijfer van ongeveer 55.600 Joden” (Saerens, 2006, 200).
10Dit door Saerens berekende aantal Joden in België in 1940 ligt sterk in de lijn van het aantal Sipo-SD-fiches. De Sipo-SD stelde zich tot doel alle Joden in België op te sporen. Voor elke geïdentificeerde persoon werd een steekkaart opgesteld. Historicus Maxime Steinberg geeft aan dat de Sipo-SD gedurende de volledige oorlog 55.670 zulke steekkaarten creëerde (Steinberg, 2004, 132). Onder die 56.670 personen die de Sipo-SD registreerde, bevinden zich echter ook honderden Joden die de Sipo-SD pas na hun arrestatie als Joods kon identificeren. Illegale vluchtelingen uit Nederland lieten zich bijvoorbeeld niet in het gemeentelijke Jodenregister opnemen, maar komen wel in de fiches van de Sipo-SD voor. Cijfermatig liggen het gemeentelijk Jodenregister en de steekkaarten van de Sipo-SD dus verder uit elkaar dan op het eerste zicht lijkt.
Tabel: Joodse bevolking in België eind 1940 (Militärverwaltung, 2.2.1941; Saerens, 2006, 201)
|
Boven 15 jaar
|
Extrapolatie incl. kinderen
|
|
Regio Antwerpen
|
22.500
|
29.435 (52,94 %)
|
|
Regio Brussel
|
17.000
|
22.240 (40,00 %)
|
|
Regio Luik
|
1.300
|
1.701 (3,06 %)
|
|
Rest van het land
|
1.700
|
2.224 (4,00 %)
|
|
Totaal
|
42.500
|
55.599 (100,00 %)
|
11De cijfers berekend op basis van het Jodenregister en de steekkaarten van de Sipo-SD wijken zeker af van de Belgische situatie in mei 1940, vlak voor de bezetting. De gemeentelijke registratie startte immers pas eind 1940. Intussen hadden al heel wat Joden zich verplaatst: een onbekend aantal was nog voor de Duitse inval of in mei 1940 gevlucht en keerde tijdens de oorlog niet terug. Zij zijn nooit geregistreerd in het Jodenregister of door de Sipo-SD. Andere Joodse vluchtelingen keerden na de exodus wel terug en registreerden zich later dan eind 1940 in het Jodenregister. En wat met de duizenden ‘verdachten’ die in mei 1940 als potentiële spionnen door de Belgische overheid worden aangehouden en naar Zuid-Frankrijk gedeporteerd? Onder hen bevonden zich ook duizenden recent in België aangekomen Joodse vluchtelingen uit het Reich. Deze mannen werden tot aan hun deportatie naar concentratiekampen en vernietigingscentra vastgehouden in kampen in Zuid-Frankrijk.
12Het is dus onmogelijk om een volledig beeld te krijgen van de Joodse bevolking in België aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Bij gebrek aan meer volledige bronnen worden daarom voor de berekening van de deportatiecijfers de aantallen van het Jodenregister (en de rapportering daarover in de Tätigkeitsberichten van de Militärverwaltung) en de fiches van de Sipo-SD gebruikt.
13Vanuit de Dossinkazerne in Mechelen werden 25.134 Joden naar Auschwitz-Birkenau en kleinere concentratiekampen gedeporteerd (Schram, 2017, 7-22). De grote meerderheid woonde voor mei 1940 al in België, maar er zijn ook honderden mensen bij die opgepakt werden tijdens hun vlucht vanuit Nederland of die in Noord-Frankrijk woonden (Michiels en Van den Wijngaert, 2019, 197). Vergeleken met de registratie in het Jodenregister en de steekkaarten van de Sipo-SD bedraagt het gemiddelde deportatiecijfer 45 procent.
14Dit algemene cijfer geldt niet noodzakelijk voor de verschillende Belgische steden. Die berekening is nog ingewikkelder. Saerens geeft een aanzet voor de cijfers per stad. Hij gebruikt hiervoor de lidmaatschapsformulieren van de Vereniging van Joden in België (VJB). Op 25 november 1941 beval het bezettingsbestuur per verordening de oprichting van deze Joodse organisatie, vergelijkbaar met wat elders de Jodenraad wordt genoemd. De VJB werd in Brussel gecentraliseerd – tegen die tijd de stad met het hoogste aantal Joodse inwoners in België – en had lokale afdelingen in andere steden. Elk Joods gezin werd verplicht lid, wat leidde tot de aanmaak van 12.000 lidmaatschapsformulieren met de gezinssamenstelling. Op basis van deze bron berekende Saerens dat 65 procent van de Joodse bevolking uit Antwerpen gedeporteerd werd, in vergelijking met 37 procent voor Brussel.
Tabel: Aantal VJB-geregistreerde Joden geschat door Lieven Saerens (Saerens, 2006, 208‑209)
|
Aantal Joden
|
Aantal gedeporteerden
|
|
Groot-Antwerpen
|
13.779
|
9.009 (65,88 %)
|
|
Groot-Brussel
|
12.045
|
4.460 (37,02 %)
|
|
Groot-Luik
|
1.823
|
618 (33,90 %)
|
15De VJB-formulieren werden echter pas opgesteld vanaf 2 maart 1942. In hoeverre komen deze bevolkingscijfers per stad dan overeen met die cijfers berekend op basis van het Jodenregister (een bron van einde 1940) en de steekkaarten van de Sipo-SD (een bron van zomer 1941)? Met andere woorden, hoe bewoog de Joodse bevolking zich in België tussen 1940 en 1942?
16Ook de VJB-formulieren zijn een onvolledige bron voor de berekening van de deportatiecijfers. Niet iedereen die zich registreerde in het Jodenregister werd ook lid van de VJB. Er waren immers al bijna twee oorlogsjaren verstreken en het wantrouwen tegenover de bezetter groeide snel. Bovendien ontbreken er in de VJB-ledenadministratie formulieren voor de steden Antwerpen en Brussel. In Brussel zou het mogelijk zelfs gaan over 10.000 ontbrekende namen op meer dan 22.000 VJB-leden. Voor Antwerpen bleven vijftien ringmappen met ledenformulieren – geklasseerd op straatnaam en huisnummer – bewaard. Saerens vermoedt dat er in totaal achttien mappen bestonden omdat de formulieren voor straatnamen met beginletters M, P en W-Z ontbreken. Mogelijk gaat het ook over meer dan één map bij elk van deze letters of net minder. Saerens telde in de bewaarde vijftien ringmappen 13.570 VJB-leden voor Antwerpen, een gemiddelde van ongeveer negenhonderd personen per map. Door het gemiddelde te vermenigvuldigen met het geschatte aantal mappen komt hij op een totaal van 16.300 Antwerpse VJB-leden (Saerens, 2006, 208-209).
Tabel: Berekening door Lieven Saerens van het aantal gedeporteerden, op basis van de bewaarde VJB-formulieren (Saerens, 2006, 217, selectie uit tabel 6)
|
Aantal bewaard gebleven JB-geregistreerde Joden
|
Extrapolatie totaal aantal VJB-geregistreerde Joden (rekening houdend met verdwenen ringmappen)
|
|
Groot-Antwerpen
|
13.570
|
16.300
|
|
Groot-Brussel
|
12.045
|
22.000
|
17Saerens staaft zijn extrapolatiecijfer van 16.300 VJB-leden voor Antwerpen met verdere bronnen: “Dat cijfer stemt haast perfect overeen met een door de Sipo-SD opgestelde statistiek, waarin sprake is van 16.557 Joden voor Groot-Antwerpen, kinderen beneden de 15 jaar inbegrepen. Allicht is de statistiek het resultaat van de VJB-registratie. Dat wordt bevestigd door een nota van gewezen VJB-verantwoordelijke Maurice Benedictus, opgesteld voor de Belgische Staatsveiligheid in februari 1943 in diens toevluchtsoord in Lissabon. Benedictus meende zich te herinneren dat het voor het Antwerpse om ongeveer 17.000 Joden ging” (Saerens, 2006, 208). Brussel kende waarschijnlijk een soortgelijke situatie. Het VJB-ledenaantal wordt door Saerens op iets meer dan 22.000 geschat. Dit aantal komt sterk overeen met het cijfer van 22.300 dat werd gegeven door Pierre Beeckmans in april 1942. Als hoofd van de Anti-Joodse Centrale hield Beeckmans ook lijsten en tellingen bij van de Joodse bevolking in België.
18Indien deze extrapolaties correct zijn en we ze vergelijken met de cijfers van geregistreerden uit het gemeentelijk Jodenregister van eind 1940, blijkt dat slechts 55 procent van de oorspronkelijke Antwerpse Joodse bevolking van eind 1940 zich vanaf maart 1942 nog in Antwerpen aansloot bij de VJB.
Tabel: Joden per regio in het Jodenregister en bij de VJB op basis van de extrapolaties van Saerens
|
Jodenregister (eind 1940)
|
VJB (maart 1942) (%)
|
|
Groot-Antwerpen
|
29.435
|
16.300 (55,37 %)
|
|
Groot-Brussel
|
22.240
|
22.000 (98 %)
|
19Er is tussen de eerste registratie in het Jodenregister en de VJB-ledenregistratie meer dan een volledig oorlogsjaar verstreken. De VJB-formulieren bevatten in totaal slechts 31.000 namen, terwijl het Jodenregister 42.500 namen bevat en de Sipo-SD-steekkaarten 55.670. Als we de VJB-cijfers gebruiken om het deportatiecijfer te berekenen, betrekken we dus enkel degenen die zich in 1942 opnieuw registreren en die tot hun deportatie op hun officieel adres blijven wonen. Het is logisch dat de overlevingskansen van een Antwerpenaar die zich registreert in het Jodenregister, bij de VJB en die op zijn officiële domicilie blijft wonen meer risico loopt dan een ander die zich registreert in het Jodenregister, maar vervolgens naar Brussel verhuist, zich in het buitenland in veiligheid brengt of in de clandestiniteit verdwijnt. Anders gesteld, Saerens werkt voor zijn berekening van de lokale deportatiecijfers met een in de tijd verschuivend beeld: eerst berekende hij dat 65 percent van de VJB-leden in Antwerpen gedeporteerd werden, later corrigeerde hij naar 68 percent omdat hij nog een aantal Antwerpse VJB-leden terugvond die Antwerpen hadden verruild voor bijvoorbeeld Brussel na hun eerste inschrijving bij de VJB. Kortom: wie zich einde 1940 in het Antwerpse Jodenregister registreerde maar later tijdens de bezetting uit Antwerpen wegtrok, werd door Saerens niet langer als Antwerpenaar in de statistiek opgenomen.
20Het lijdt geen twijfel dat de Jodenvervolging in Antwerpen een uniek en specifiek karakter heeft voor België. Saerens schetst in Vreemdelingen in een wereldstad het beeld van een stad met een antisemitisch klimaat, zowel voor als tijdens de Tweede Wereldoorlog. Waaruit bestaat die specificiteit en hoe vertaalt zich dat in de beschikbare cijfers?
21Van december 1940 tot februari 1941 worden meer dan 3.000 niet-Belgische Joden uit het Antwerpse naar Limburg afgevoerd (Saerens, 2000, 565). Die verplichte relocatie wordt vanaf eind maart 1941 geleidelijk opgeheven (Steinberg, 1983, 95-96). Niet alle Joden keren daarop terug naar Antwerpen. Volgens Saerens krijgen “verscheidenen onder hen het bevel verder naar het Brusselse uit te wijken. Anderen waren reeds voordien uit Antwerpen gevlucht, uit vrees ook te worden gedeporteerd” (Saerens, 2005, 653-665). Er waren er zeker ook die er zelf voor kozen om niet naar Antwerpen terug te keren. De relocatie naar Limburg is zo een eerste grote verstoring van de Joodse gemeenschap in de havenstad.
22Op 14 april 1941 breekt een Antwerpse Kristallnacht of pogrom los in de Joodse buurt in Antwerpen. De anti-Joodse organisatie Volksverwering organiseert die dag een tweede voorstelling van Der Ewige Jude in Cinema Rex aan de Keyserlei. Na de film trekken 200 tot 400 mensen richting Joodse buurt: onder hen ook leden van Volksverwering, het Vlaams Nationaal Verbond en de Vlaamse SS. De massa trekt een spoor van vernieling en slaat ramen van Joodse winkels in. Het hoogtepunt is de brandstichting in de synagogen aan de Van den Nestlei en de Oostenstraat, inclusief het aanpalende huis van de rabbijn. Thorarollen en andere religieuze objecten worden op straat gegooid, verscheurd en verbrand. Het is niet de eerste noch de laatste uitbarsting van anti-Joods geweld in Antwerpen.
Vital Bertrand Lieberman (l.) als dwangarbeider in het Organisation Todt-kamp Les Mazures
© Kazerne Dossin – Fonds A. Erlich-Lieberman
23Veel Joden trekken na de relocatie en de pogrom hun conclusies. Duizenden verruilen Antwerpen voor Brussel, Luik of Charleroi. Op 1 oktober 1941 telt de Antwerpse anti-Joodse centrale de Joodse bevolking in België een tweede keer. Ze komen op 42.652 Joden, kinderen jonger dan 15 jaar niet inbegrepen. Saerens werkte op dit cijfer verder en komt tot de volgende regionale verdeling: in oktober 1941 wonen 16.999 Joden of 39,86 procent van de gemeenschap in Groot-Antwerpen en 21.734 of 50,95 procent in Groot-Brussel (Saerens, 2006, 204). Dat is ongeveer een omkering van de cijfers van eind 1940 en dit terwijl het totale aantal geregistreerden constant blijft: 42.500 volgens het Jodenregister (eind 1940) versus 42.652 volgens de gedetailleerdere statistiek van de anti-Joodse centrale (eind 1941), maar hierin zitten ook een aantal tieners extra die intussen 15 geworden zijn en een apart registratieformulier kregen.
Tabel: Aantal Joden per stad door Saerens berekend op basis van de statistiek van 1 oktober 1941
|
Aantal Joden 15 jaar en ouder
|
Percentage
|
|
Groot-Antwerpen
|
16.999
|
39,86 %
|
|
Groot-Brussel
|
21.734
|
50,95 %
|
|
Totaal België
|
42.654
|
100 %
|
24Het is dus niet zo dat het algemeen aantal Joden in België op een jaar tijd drastisch veranderde. Wel verliet blijkbaar al bijna een kwart van de Antwerps-Joodse bevolking ouder dan 15 jaar tegen 1 oktober 1941 de havenstad. Bovendien, stelt Saerens, zou de “trend […] zich blijven verderzetten. Een statistiek van [de anti-Joodse centrale van] vijf maanden later, 1 april 1942, […] kwam op een totaal van 42.392 Joden, waarbij het aantal Joden in het Antwerpse verder gedaald was tot 16.242 (38,37 %) en het Brusselse cijfer gestegen was tot 22.300 (52,60 %)” (Saerens, 2006, 204).
Tabel: Aantal Joden per stad door Saerens berekend op basis van de statistiek van 1 april 1942
|
Aantal Joden 15 jaar en ouder
|
Percentage
|
|
Groot-Antwerpen
|
16.242
|
38,37 %
|
|
Groot-Brussel
|
22.300
|
52,60 %
|
|
Totaal België
|
42.392
|
100 %
|
25Als deze cijfers kloppen zijn tussen eind 1940 en 1 april 1942 6258 Joden van vijftien jaar en ouder, ofwel bijna 28 procent, uit Antwerpen vertrokken. De VJB-ledenregistratie waarop Saerens zich voor het berekenen van de deportatiecijfers voor Antwerpen en Brussel baseert, is slechts een kleine maand eerder, op 2 maart 1942, gestart (Saerens, 2006, 206). Werken met de cijfers van de VJB uit 1942 is zinvol om de realiteit van dat moment te duiden, maar wijkt af van de gangbare praktijk om deportatiecijfers te berekenen op basis van de Joodse bevolking bij het begin van de oorlog. In de Belgische casus kan dat alleen op basis van het Jodenregister en de eerste adresgegevens genoteerd door de Sipo‑SD.
26Op 11 maart 1942 voert de bezetter de verplichte tewerkstelling voor Joden in België en Noord-Frankrijk in (Vandepontseele, 2004, 149). Negen transporten met in totaal 2252 Joodse mannen uit België vertrekken naar Noord-Frankrijk, waar Organisation Todt (OT) hen als dwangarbeider inzet, bijvoorbeeld voor het produceren van houtskool in Les Mazures. Zes van die negen transporten met in totaal 1526 mannen aan boord komen uit Antwerpen. De Antwerpenaren maken dus 67,7 procent uit van de OT-arbeiders (ibid., 166).
27Na het vertrek van de eerste trein uit Antwerpen op 13 juni worden tussen 18 juni en 4 juli 1942 nog eens 4640 bevelen voor een medische OT-keuring bezorgd. Slechts 3088 van de opgeroepen mannen melden zich op de keuringsdienst (ibid., 168). Een deel van de 1552 die zich niet melden, zullen Antwerpen verlaten. Sophie Vandepontseele schrijft: “Na de verzending van 4640 oproepen voor het medisch onderzoek (de fase voorafgaand aan deportatie naar de OT-kampen in Noord-Frankrijk) arriveren ettelijke honderden Antwerpse joden in Charleroi” (ibid., 160 en voetnoot 63). Ook Saerens wijst op de gevolgen van de OT-oproepen voor Noord-Frankrijk voor het wegtrekken van Joden uit Antwerpen. Hij vermeldt “de zogeheten ‘OT-actie’ van juni-september 1942 […], waardoor heel wat Joodse verzetslui – in het bijzonder communistische kaderleden en basismilitanten van de Main d’Œuvre Immigrée – uit Antwerpen waren weggevlucht” (Saerens, 2006, 206).
28De OT-actie heeft rechtstreekse gevolgen voor de Joodse gemeenschap in Antwerpen. In de zomer van 1942 ontstaat een dramatische situatie die de overlevingskansen van de achterblijvers verder verkleint. Familieleden van de tewerkgestelden hebben immers meer moeite om hun legale domicilie te verlaten: ze wachten op de terugkeer van hun weggevoerde dierbaren, een hoop die mogelijk versterkt wordt door communicatie met de OT-arbeiders in Noord-Frankrijk. Verder onderzoek naar de deportatiecijfers van de families van OT-arbeiders moet deze vraag beantwoorden. Kazerne Dossin startte in september 2019 het project Left Behind in Antwerp: Jewish Families affected by the Forced Labour, 1942-1944. De resultaten worden in januari 2022 gepresenteerd. Een steekproef van Saerens bevestigt alvast de onderzoekshypothese (ibid., 233).
29Over het algemeen keren de OT-arbeiders niet terug naar hun woonplaats, tenzij na vrijlating (bijvoorbeeld omwille van ziekte) of ontsnapping uit de werkkampen in Noord-Frankrijk. 1577 van de arbeiders werden vanuit Frankrijk na een korte stop nabij de Dossinkazerne met transporten XV, XVI en XVII op 24 en 31 oktober 1942 naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Aan boord van de andere transporten vanuit de Dossinkazerne bevonden zich nog eens 363 voormalige OT-arbeiders. OT-arbeiders met de Belgische nationaliteit werden later in de oorlog vanuit Drancy naar Auschwitz gedeporteerd. De Sipo-SD maakt van het vertrek van transporten XV, XVI en XVII gebruik om via de VJB de gezinnen van de OT-arbeiders ‘uit te nodigen’ om hun dierbaren in Mechelen te vervoegen. Minimum 160 vrouwen en kinderen melden zich op deze manier bij de Dossinkazerne en vertrekken met hetzelfde transport, zij het in andere wagons dan de dwangarbeiders (Adriaens et al. 2009, 260‑262).
30De OT-oproepen voor verplichte tewerkstelling in Noord-Frankrijk maskeerden ook mee de Arbeitseinsatzbefehle voor ‘verplichte tewerkstelling in het Oosten’ die in de zomer van 1942 verspreid werden. De opgeroepene moest zich niet melden in het Antwerpse Centraal station, maar wel in de Mechelse Dossinkazerne. In totaal meldden zich 4023 Joden uit heel België met zo’n oproep in Mechelen (Schram, 2017, 26). Hoeveel van hen uit Antwerpen kwamen is nog niet volledig onderzocht. Een deelstudie van Laurence Schram identificeerde onder de 1891 opgeroepenen die zich op 11, 12 en 24 augustus 1942 in Mechelen meldden 897 Antwerpse Joden. Dat komt neer op 47,4 procent. Aangezien de timing van de Arbeitseinsatzbefehle deels overlapte met OT-oproep hoeft het geen betoog dat de verwarring groot was (Vandepontseele, 2004, 168). Doordat grote aantallen geen gevolg gaven aan het OT-bevel of het Arbeitseinsatzbefehl ging de bezetter over tot driestere maatregelen: razzia’s.
31De terreur bereikte in de zomer van 1942 een hoogtepunt. De georganiseerde razzia’s viseerden niet enkel werkbekwame mannen en vrouwen. Joden werden ongeacht hun leeftijd opgepakt: zuigelingen, kinderen, zwangere vrouwen, zieken, andersvaliden en ouderlingen. Antwerpen was de locatie voor de meeste razzia’s in België, waaronder de allereerste in ons land in de nacht van 15 op 16 augustus 1942. Er volgde een tweede razzia in de nacht van 28 op 29 augustus en een derde op 11 en 12 september. Die derde razzia liep gelijk met het vertrek van het laatste OT-konvooi uit Antwerpen naar Noord-Frankrijk (Vandepontseele, 2004, 169). Tijdens een systematische actie bij de bedeling van rantsoenbonnen in Antwerpen op 22 tot 24 september 1942 werden nog eens ongeveer 760 Joden opgepakt. Deze vier grote arrestatieacties op minder dan twee maanden tijd in Antwerpen stonden tegenover één razzia in september 1942 in Brussel, Luik en Charleroi. (Saerens, 2006, 229; Saerens, 2005, 817-837 en 879)
32Joden met de Belgische nationaliteit waren in 1942 nog beschermd tegen deportatie. Dat statuut verviel in 1943. Op 3 en 4 september werden in Antwerpen tijdens Aktion Iltis – de razzia gericht tegen Joden met de Belgische nationaliteit – ongeveer 225 personen opgepakt. Deze actie betekende het einde van het officiële Joodse leven in Antwerpen. Wie begin september 1943 nog niet opgepakt was, leefde vaak in de clandestiniteit, werkte voor de VJB of woonde in een kinder- of bejaardentehuis onder toezicht van de VJB.
33De verplichte relocatie naar Limburg en de Antwerpse Kristallnacht leidden tot het massale vertrek van Joodse Antwerpenaren uit de havenstad. De OT-transporten naar Noord-Frankrijk en de razzia’s in de zomer van 1942 dreven vervolgens de deportatieaantallen in de stad op. Saerens berekende dat de Antwerpse specificiteit leidde tot de deportatie van 65 procent van de sinds maart 1942 door de VJB in Antwerpen geregistreerde Joden. Hij voegde eraan toe dat dit cijfer zelfs stijgt tot 68 procent als het laatste in plaatst van het eerste adres op de VJB-fiches bij de berekening wordt gebruikt. Dat je een veel groter risico op deportatie loopt als je in de zomer van 1942 (en daarna) officieel in de stad verblijft, is logisch. Saerens verklaarde het hoge deportatiecijfer voor Antwerpen door erop te wijzen dat velen pas na de razzia’s in augustus en september 1942 onderduiken (Saerens, 2006, 222).
David Unter (l.) en Maurice Rotman (r.) met de ster op de De Keyserlei in Antwerpen, 18 juni 1942
© Kazerne Dossin – Fonds D. Unger
34Vijfenveertig (45) procent van de Antwerps-Joodse bevolking uit 1940 woonde tegen de lente van 1942 echter al niet meer officieel in de havenstad. In Brussel daarentegen steeg het Joodse bevolkingscijfer tussen 1940 en 1942. Saerens heeft die verschuiving niet in de berekening van de stedelijke deportatiecijfers verwerkt. Evenmin hield hij er rekening mee dat bepaalde Antwerpse Joden zich eind 1940 wél in Antwerpen bevonden, maar tegen de zomer van 1942 in Zwitserland, Spanje, Portugal, Cuba of elders verbleven. Hoewel niet iedereen die Antwerpen verliet de oorlog overleefde, zorgt de vaststelling over de toename van Joodse inwoners in Brussel ervoor dat de verschillen tussen Antwerpen en Brussel verminderen. Meer dan 45 percent van de Antwerpse Joden koos er al voor om voor de VJB-registratie in de lente van 1942 hun legale bestaan in Antwerpen achter zich te laten (door te verhuizen, te vluchten of onder te duiken). Dat wijst op een alerte en actieve houding, meer dan elders in België. Het heersende anti-Joodse klimaat in de stad zal hier zeker toe bijgedragen hebben. Zelfs voor degenen die pas na hun inschrijving bij de Antwerpse VJB besloten te verhuizen, stelde Saerens een duidelijk hogere overlevingskans vast (Saerens, 2006, 227‑228).
35De start van de OT-transporten naar Noord-Frankrijk bracht misschien nog meer in Antwerpen dan elders het vertrek van de Joodse gemeenschap op gang. Opgeroepenen verkozen verkassen boven zich melden. Joden in Antwerpen waren tegen die tijd ook economisch in een bijzonder benarde positie terechtgekomen, bijvoorbeeld door de liquidatie van de Joodse diamantindustrie in april 1942 (Saerens, 2006, 229). Het maakt ook meteen duidelijk waarom wie voor actief verzet koos, dit niet noodzakelijk in Antwerpen deed, maar op een veiligere plek met meer mogelijkheden.
36Zoals reeds beargumenteerd dienen de adressen van Joden aan het begin van de oorlog het uitgangspunt voor de berekening van de deportatiecijfers te zijn. We stelden echter al vast dat geen volledige bron hiervoor bestaat. Delen van de gemeentelijke Jodenregisters ontbreken en de database met gegevens van de Sipo-SD-steekkaarten bevat (nog) geen adresgegevens, wat statistisch onderzoek onmogelijk maakt. De invoer van die adressen vraagt nog veel werk. Bovendien moeten vervolgens nog de gegevens van elke persoon in deze databank gekoppeld worden aan diens gegevens in andere bronnen en databases zoals de deportatielijsten. Dit gaat gepaard met een hele resem uitdagingen: variaties in de spelling van voor- en achternamen, verschillende geboortedata en -plaatsen,… Zulke linken tussen databases leggen en duplicaten uitfilteren is een monnikenwerk dat veel precisie vraagt, maar is broodnodig om eenduidige statistieken te kunnen trekken.
37De bestaande databank van het gemeentelijk Jodenregister bevatte tot hiertoe slechts de namen van de geregistreerde mannen, vrouwen en kinderen vanaf de leeftijd van vijftien jaar. Zij kregen een apart formulier. De namen van kinderen van nul tot en met veertien jaar werden aan het formulier van hun vader toegevoegd. In 2019 voegde Kazerne Dossin dankzij een intensief partnerschap met het Felixarchief in Antwerpen al de minderjarige kinderen uit Antwerpen aan de bestaande databank van het Jodenregister toe. Vervolgens werd de volledige lijst met Antwerpenaren – zowel volwassenen als kinderen – vergeleken met de deportatielijsten van de Dossinkazerne in Mechelen en de Franse kampen. Zo kwam Kazerne Dossin tot het volgende deportatiecijfer voor Groot‑Antwerpen:
Tabel: Deportatiepercentages voor Groot-Antwerpen berekend door Kazerne Dossin
|
Aantal
|
Procent
|
|
Geregistreerd in het Jodenregister
|
24.342
|
|
|
Gedeporteerd uit Mechelen
|
12.883
|
52,92 %
|
|
Gedeporteerd uit Frankrijk
|
756
|
3,11 %
|
|
Totaal gedeporteerd
|
13.639
|
56,03 %
|
38Op basis van de adressen in het Jodenregister van eind 1940 kunnen we dus stellen dat ruim 56 procent van de Joodse Antwerpenaren gedeporteerd werd. Dit cijfer ligt beduidend lager dan de cijfers tot nu toe berekend op basis van de VJB-ledenlijsten. De discrepantie tussen dit nieuwe cijfer en het oude cijfer van 65 tot 68 procent ligt zelfs nog hoger als de 3 procent Antwerpenaren die vanuit Frankrijk werd weggevoerd buiten beschouwing werd gelaten, zoals ook Saerens bij zijn berekening deed. We spreken in dat geval over een deportatiecijfer van bijna 53 procent.
39De combinatie van adresgegevens van eind 1940 uit het gemeentelijk Jodenregister (periode eind 1940) en beschikbare Belgische en Franse deportatiegegevens leidt tot een belangrijke herziening van het Antwerpse deportatiecijfer. De Antwerpse specificiteit komt hierdoor duidelijker naar voor. Het nieuwe deportatiecijfer van 56 procent blijft beduidend hoger dan het Belgisch gemiddelde van 45 procent maar is niet zo hoog als de eerder geschatte 65 of 68 procent. Het nieuwe cijfer van 56 procent houdt bovendien rekening met Antwerpse Joden die vanuit Frankrijk werden weggevoerd: een groep die niet werd meegenomen in het oude cijfer. Laten we die groep ook bij het nieuwe cijfer achterwege, dan blijkt bijna 53 procent van de Antwerps-Joodse gemeenschap gedeporteerd.
40Verder onderzoek naar de deportatiecijfers blijft nodig. Wanneer alle beschikbare gegevens in databanken verwerkt en gekoppeld zijn, kan de raciale vervolging in België tijdens de Tweede Wereldoorlog in meer detail geanalyseerd worden. Tegelijkertijd is al duidelijk dat nooit alle gegevens beschikbaar zullen zijn door de beperkingen van het bronnenmateriaal.